De keuzeparadox

Door Sofie Verburg

image

Is meer minder?Deze vraag werd gesteld tijdens een lezing van Barry Schwartz aan de Radboud
universiteit over wat hij noemt de
keuzeparadox
. In zijn boek The Paradox of Choice. Why more is less. How the Culture
of Abundance robs us of satisfaction
, stelt Schwartz dat,  hoewel een zekere mate van keuzemogelijkheid
bijdraagt aan het gevoel van autonomie, controle en vrijheid, juist een teveel
aan mogelijkheden kan leiden tot verlamming, verwarring en ontevredenheid.

In een aflevering
van “24 uur met”, werd de stelling van Schwartz mooi geïllustreerd. In de
uitzending van 9 januari
was Frans Bauer te gast bij Theo Maassen (vanaf 2m52). Hij vertelde over het
enorme aanbod van aardbeienjam in zijn supermarkt en hoe dat groeiende aanbod
hem vooral veel tijd kost om zijn eigen vertrouwde pot jam te vinden.

Het staat buiten
kijf dat de mogelijkheid om zelf te kunnen kiezen voor een groot gevoel van
vrijheid zorgt en dat deze keuzevrijheid bijdraagt aan ons welzijn.  We bepalen zelf welk model spijkerbroek bij
ons past en of we skinny of bootcut willen dragen. We kiezen
welke aardbeienjam we op ons brood willen smeren en aan welk eisen onze
muziekspeler moet voldoen. Maar er is een dunne grens tussen een prettige
hoeveelheid opties en een onoverzichtelijk aantal mogelijkheden dat verlamt. We
worden ons steeds bewuster van onze keuzemogelijkheden en de consequenties van
de keuzes die we maken. Hoe meer alternatieven, des te hoger de
verwachtingen.  Daarbij zijn we zelf
verantwoordelijk, ook als we achteraf niet zo tevreden blijken te zijn met het
resultaat. Hoe belangrijker het onderwerp is waarover we moeten beslissen, het
groter de stress wordt. Welke bacheloropleiding ga je doen? Voldoet die aan al mijn
wensen en vind ik daarmee een gave baan? Verkeerde studie gekozen? Dan draai je
zelf op voor de kosten. Verkeerde keuzevakken? Dan ben je zelf verantwoordelijk
voor je studievertraging. Welke master kies je vervolgens? Alleen al het kiezen
van een scriptieonderwerp kan enorm stressvol zijn.

Schwartz onderscheidt in zijn boek twee soorten mensen; maximizers en satisfiers.
De maximizer zoekt de allerbeste
optie. Hij bestudeert al zijn mogelijkheden, en steekt veel tijd (geld) en
energie in zijn zoektocht naar de perfecte keus. Omdat hij een duidelijk doel
voor ogen heeft (‘ik wil de beste auto’), zijn de verwachtingen enorm hoog en is
hij er uiteindelijk minder tevreden mee in vergelijking tot de satisfier. Die zoekt namelijk naar “goed
genoeg”, maakt zich geen zorgen over de mogelijk misgelopen betere alternatieven.
Een satisfier is dus altijd meer
tevreden met zijn besluit dan een maximiser.

De keuzestress
die we in onze Westerse maatschappij ervaren, wordt meer en meer erkend en daar
wordt heel handig op in gespeeld. Coaches bieden voor goed geld workshops aan over keuzestress
en Barry Schwartz geeft druk bezochte lezingen. Allemaal springen ze in op de behoefte om te
leren omgaan met die keuzestress in de hoop dat we duidelijk krijgen wat we nou
precies willen zodat we daar heel gericht voor kunnen kiezen. Tot voor kort behoorde de keuzeparadox exclusief tot het werkterrein van
psychologen, maar inmiddels is het ook opgepakt door verschillende creatieven; in maart is in
Nijmegen het eerste, spannende Choice Makers Festival

Bij onze opleiding Kunst en
Cultuurwetenschappen is het aantal scriptie-onderwerpen beperkt tot de grenzen
van het domein van de cultuurwetenschappen; voor studenten biedt dat een enorme
hoeveelheid mogelijke scriptieonderwerpen. Misschien moeten we, omwille van het
reduceren van keuzestress en het helpen van de maximizers, het aantal scriptie-onderwerpen toch gaan beperken?

Muziek voor de ogen

Door Natascha Veldhorst

Deze maand een visuele primeur in het Amsterdamse Concertgebouw: Stravinsky’s _Vuurvogel_gespeeld door het Nederlands Philharmonisch Orkest, met geprojecteerde beeldenop een scherm van ruim vijftien meter breed. ‘Symphonic Cinema’ doopte regisseur
Lucas van Woerkum dit nieuwe filmgenre. Geen bioscoopfilm met live muziek, maar het omgekeerde:
orkestmuziek met filmbegeleiding. Bij Symphonic Cinema staat de muziek voorop.

Het is veelzeggend dat dit fenomeen juist nu voet
aan de grond krijgt. Grof geschut wordt ingezet om het tij van de leegstromende
zalen te keren (hier: bekende acteurs, Gijs Scholten van Aschat en Hannah
Hoekstra). Meer zintuigen prikkelen, dat is het credo. En dus zal het vast niet
lang meer duren of ook de vroegere geurexperimenten uit bioscopen (Odorama, Smell-O-Vision) gaan de concertzalen veroveren.

image

Mensen die voor het eerst een klassiek concert
bezoeken noemen het een nadeel dat er op het toneel helemaal niets te zien is.
Je zit een avond lang te kijken naar mensen in saaie zwarte pakken die knullig heen
en weer bewegen op hun stoel en steeds op hun bladmuziek turen zonder contact
maken met hun publiek. Dat geeft een akelig gevoel (‘Ik word als toeschouwer
genegeerd’). Waren ze tussendoor maar opgestaan om een dansje voor ons te doen
of desnoods twee bemoedigende zinnen door een microfoon te roepen. Maar nee, dat
gebeurde niet. Overigens wordt datzelfde nadeel, het statische toneelbeeld, door
andere bezoekers juist als een groot voordeel gezien (‘Ik maak zelf wel uit welke
beelden ik wil zien, misschien wil ik wel helemaal niets zien. Ik kom hier om
te luisteren’).

Deze discussie, tussen voorstanders van ‘muziek-met
‘en die van ‘muziek-zonder’, wordt nu al twee eeuwen gevoerd. Componist/musicoloog
Elmer Schönberger hield in 2007 ‒ in navolging van
zijn Amerikaanse collega Peter Kivy (‘Music Alone’) ‒ nog een krachtig pleidooi voor het laatste, door hem ‘Het Grote
Luisteren’
genoemd, maar dit lijkt inmiddels een kreet uit een verloren tijdperk.
Zulke ‘pure muziek’ is voorgoed ouderwets geworden.

We willen alles begrijpen wat we horen.
Tegelijkertijd zijn we niet gewend om onze verbeelding te gebruiken. Dat valt
niet met elkaar te rijmen. Daarom zijn we zo blij met mensen die ons haarfijn kunnen
uitleggen dat op dat beroemde abstracte kunstwerk de bloederige klodders tegen
een achtergrond van groene lijnen niet alleen het diepste emotionele dal van de
kunstenaar verbeelden maar ook een impressie geven van het schamele onderkomen
uit diens jeugd, ver weg in een verlaten dorpje vol magere geiten in het
hooggebergte van de Sierra Nevada. En daarom zijn we ook zo dolgelukkig met
Lucas van Woerkum, die ons tijdens dat ontiegelijk saaie klassieke concert heel
precies in beelden uitlegt wat we moeten horen. Wat een opluchting!

Leven in een science fictionwereld

By Edwin van Meerkerk

image

Hackerscollectief Anonymous dat jihadisten de oorlog verklaartDrones in de binnenstad. Nauwe banden tussen Google en high tech legeronderdeel DARPAThe Guardian die bericht over ‘augmented humans’ en minister Asscher die waarschuwt voor robots. De lijst met voorbeelden is eindeloos: we leven in een science fictionwereld. Waar schrijvers van toekomstromans al vaker voorspellende gaven werden toegedicht, lijken recente ontwikkelingen sneller te gaan dan menig science fictionschrijver kan bijbenen. William Gibsons uitspraak ‘the future is already here. It’s just not evenly distributed’ lijkt achterhaald: de toekomst is overal om ons heen. Tijd voor een stoomcursus science fiction.

Science fictionliteratuur en -films zijn lange tijd geassocieerd met lage cultuur: ongeloofwaardige verhalen over buitenaardse wezens, herschreven wild-westverhalen in de ruimte met veel laserstralen en vrouwen in stalen korsetten. De laatste jaren komt er echter steeds meer erkenning voor het genre, niet alleen voor de literaire en filmische kwaliteiten ervan, maar ook voor de manier waarop auteurs maatschappelijke thema’s aansnijden. Het genre komt rechtstreeks voort uit de literaire traditie van de utopie. Vanaf de naamgever van dat genre, Thomas More’s Utopia 1516, heeft de utopie een dubbel gezicht gehad. Utopie kan zowel ‘goede plek’ als ‘niet bestaande plek’ betekenen, en zo herbergt iedere utopie zowel ideaal als onbereikbaarheid in zich en is iedere utopie zijn tegengestelde: een dystopie.

Verschoof de focus van de utopie in de loop der jaren van onontdekte eilanden naar de toekomst, op dit moment heeft de werkelijkheid de fictie ingehaald. De observatiemaatschappij, geïmplanteerde chips en stamcelbehandelingen die het leven eindeloos lijken te kunnen rekken, in contrast met irrationeel geweld en barbarij, bieden een decor dat al vele malen in science fiction is geschetst. Hackers die het tegen de wereld opnemen leerden we kennen in Gibsons Neuromancer. Het syndicaat van Google en DARPA lijkt een kopie van Skynet uit de Terminator-films al die verhalen is het verschrikkelijke toekomstbeeld een verwording van iets dat ooit zo’n goed idee leek.

In de wereld van 2014 weten we niet meer precies wat het goede idee was dat zo uit de hand is gelopen en vragen we ons af hoe het kan dat dingen die we alleen uit films en boeken kennen ineens mogelijk zijn, van zelfrijdende auto’s tot het met hersengolven besturen van helicopters. Het is echter niet alleen de wereld van Buck Rogers ook één waarin de IS een staat sticht die alle trekken heeft van een waanzinnige dystopie.

Hoe nu verder? Is er een overlevingshandboek voor een science fictionwereld? Nee, helaas, dat is er niet. Of toch wel? Dystopische werelden worden ook omver geworpen in toekomstscenario’s. Neem de misschien wel beroemdste nachtmerrie, Brave New World van Aldous Huxley. Daar is het een Shakespeare lezende barbaar die de wereld op zijn kop zet. Er is dus nog hoop – en tot die tijd raad ik je aan altijd een handdoek bij je te hebben.

Afbeelding: http://upload.wikimedia.org/wikipedia/commons/2/29/Marines_experiment_with_military_robotics_RIMPAC_2014.jpg

Gouden Tijden

Door Mathijs Sanders

image

Op woensdagavond 22 oktober 2014 zong de poëzie door de Nijmeegse binnenstad. De twaalfde editie van het festival Onberf’lijk Vers bracht een groot aantal dichters uit alle windstreken samen, oude bekenden naast vooral veel jong talent. Op uiteenlopende locaties – van de boekwinkels en bibliotheek tot café De Mug – droegen zij ten overstaan van een groot en zeer gemengd publiek voor uit eigen werk.

Het succes van festivals als Onbederf’lijk Vers is helemaal niet vanzelfsprekend. De publiciteit voor dergelijke evenementen wordt immers overschaduwd door berichten over de malaise in de boekenbrache, de beeindiging van subsidies en zelfs het einde van de literaire cultuur, althans van de vanzelfsptrekendheid waarmee literatuur werd beschouwd als van groot belang – waarbij dat belang zich doorgaans omgekeerd evenredig verhield tot commercieel succes. Die ‘logica van de omgekeerde economie’, zoals de Franse cultuursocioloog Pierre Bourdieu die analyseerde, lijkt definitief voorbij. Romans zijn top of flop, waarbij De Wereld Draait Door als voornaamste autoriteit geldt. Top zijn vooral die boeken waarin bekende Nederlanders hun allerindividueelste emoties naar aanleiding van waargebeurde drama’s uitventen. Daar is natuurlijk weinig mis mee. Wel is het een verademing om te zien hoe in de niches van het literaire bedrijf nieuwe initiatieven tot bloei komen. Performance en participatie staan daarbij voorop. Lezers en luisteraars zijn steeds vaker ook deelnemers aan het literaire verkeer. Zij willen niet alleen iets lezen maar vooral iets beleven. Niet alleen het aanbod staat dan centraal, maar ook en vooral de vraag van lezers die meer willen zijn dan passieve toeschouwers.

In Bring on the Books for Everybody. How Literary Culture Became Popular Culture (2010) – een van de mooiste cultuurwetenschappelijke studies van de laatste jaren – beschrijft Jim Collins heel scherp de verschuivingen die zich in de literaire cultuur hebben voorgedaan.

‘As the pleasures of reading have become increasingly social, title selections must be a visible demonstration of personal taste, at that moment. The desire for the right title, driven by a persistent need to self-cultivate, but without a reliable authority that could be trusted to make the essential fine distinctions, has resulted in a taste vacuum that has been filled by the literary taste maven as media celebrity. […] New reading authorities had to emerge from within the mass media in order to reach a mass audience of readers in hot pursuit of the right book.’

De nieuwe autoriteiten over wie Collins schrijft (Oprah Winfrey en haar ‘Book Club’ voorop) functioneren in een boekenwereld waarin juist participatie en performance van schrijvers en lezers van het grootste belang zijn. Intussen spelen Nijmeegse studenten een belangrijke rol als locale smaakmakers voor de nieuwe poëzie. Door middel van crowdfunding via www.voordekunst.nl werd daags voor aanvang van het festival 101% van het benodigde budget binnengehaald. Op naar de editie 2015!

De kunstenaar als hart van de economie?

Door Martijn Stevens

image

Het concept van de creatieve industrie lijkt paradoxaal. In de Nederlandse taal verwijst ‘industrie’ tenslotte naar de grootschalige en marktgerichte productie van materiële goederen. Creativiteit is daarentegen een persoonskenmerk van individuen. Ze wordt in verband gebracht met intrinsieke motivatie en de innerlijke drang om te creëren, die allebei nadrukkelijk losstaan van economisch gewin of maatschappelijk aanzien.

Sinds de negentiende eeuw wordt creativiteit daarom ook in verband gebracht met vrijheid, zelfbeschikking en authenticiteit. Deze waarden kwamen echter onder druk te staan door de opkomst van het zogeheten ‘fordisme’ in het begin van de twintigste eeuw, dat is genoemd naar de ideeën van autoproducent Henry Ford. De introductie van de assemblagelijn in fabrieken zorgde destijds voor schaalvergroting en efficiëntie bij de productie van auto’s, maar het artistieke proces werd evenzeer gestandaardiseerd. De productie van films in Hollywood werd bijvoorbeeld ‘lopendebandwerk’ en ook de mode-industrie is volledig gebaseerd op massificatie en commercialisering.

In het eerste decennium van de eenentwintigste eeuw heeft een snelle opeenvolging van ecologische en financiële crises evenwel gezorgd voor onrust en onzekerheid in verschillende delen van de wereld. Bedrijven en maatschappelijke organisaties worden hierdoor geconfronteerd met wicked problems, die notoir complex, tegenstrijdig en onvoorspelbaar zijn. Creativiteit en innovatie worden daarom belangrijker geacht dan standaardisering, schaalvergroting en massaconsumptie. Innovatie behelst kortweg de concrete toepassing van nieuwe ideeën met de bedoeling om steeds vernieuwende producten, diensten of processen te ontwikkelen.

Creativiteit wordt doorgaans beschouwd als de bron van deze ideeën en geldt daarom als een drijvende kracht achter innovatie. Hoewel beide concepten op uiteenlopende manieren zijn gedefinieerd en de relatie ertussen allerminst eenduidig is, wordt tegenwoordig alom verondersteld dat creativiteit en innovatie ontegenzeglijk bijdragen tot economische welvaart en maatschappelijk welzijn. Dikwijls wordt zelfs gesuggereerd dat de industriële economie van weleer inmiddels is overgegaan in een creatieve economie. Hiermee wordt niet gedoeld op de voortschrijdende commercialisering van de kunsten of de groeiende belangstelling voor de macro-economische effecten van de culturele sector. De tucht van de markt is daarbij een leidend principe en overheidsingrijpen wordt alleen toegestaan in het geval van marktfalen.

Het fenomeen van de creatieve economie is echter niet zozeer een uitwas van de economisering van kunst en cultuur, als wel van de toenemende ‘culturalisering’ van de economie. De toverwoorden in hedendaagse uitingen van management speak – creativiteit, passie, authenticiteit – zijn tekenend voor deze ontwikkeling. Dergelijke kwalificaties waren oorspronkelijk immers voorbehouden aan het werk van kunstenaars, maar ze lijken inmiddels gangbare eisen bij de vervulling van allerhande functies in het economische verkeer. Hieruit blijkt dat het concept van de creatieve industrie misschien toch niet tegenstrijdig is met zichzelf. In plaats daarvan is het romantische beeld van de kunstenaar die weerstand biedt aan de onderdrukking door sociale, politieke en technische structuren definitief verworden tot een anachronisme of een echo uit het verleden. Als de profielschets van de kunstenaar namelijk perfect tegemoetkomt aan de functie-eisen van de hedendaags economie, betreft de échte innovatie in het domein van de creatieve industrie wellicht vooral kunstenaars zelf – juist wanneer zij zich bewegen van een marginale positie naar het hart van de economie. Welke functies zijn voor hen nog weggelegd in postfordistische tijden? 

Beeld credits: Banksy, Capitalism for Sale, foto Bruce Krasting via https://www.flickr.com/photos/bruce_krasting/7003771293/ via creative commons

Kunst, kommer en commercie

Door Jan Baetens

image

‘Het museum onderhoudt geen conflicterende banden met de commerciële kunsthandel.’ Dat was een van de ‘vuistregels voor musea’ die Christiaan Braun, een Nederlandse kunstverzamelaar, kort geleden  in paginagrote advertenties liet afdrukken in Nederlandse kranten. Met die zelfgeschreven regels wilde Braun waarschuwen tegen de belangenvermenging die de museale sector volgens hem steeds meer ondermijnt. De rol van de sector zou met name vooral gehypothekeerd worden door allerhande commerciële belangen. Kunsthandelaars en galeristen, de goudgeile slippendragers van de geldgod mammon, hebben het daarbij vaak gedaan: hun private belangen hangen volgens Braun als een donkere schaduw over de publieke roeping van het museum als lichtgevend cultureel baken in de samenleving.

Nu is het lang niet zo nieuw om de commercie, en met name de kunsthandel, te bekritiseren. Anna Tilroe oreert al jaren tegen de perverse effecten van een al te machtige kunsthandel. Merkwaardig genoeg is een volstrekt ander geluid momenteel te horen in Parijs. Daar krijgt de negentiende-eeuwse kunsthandelaar Paul Durand-Ruel zowaar zijn eigen tentoonstelling in het Musée du Luxembourg. De tentoonstelling is een onvervalste hommage aan Durand-Ruel, een visionair met een roeping, volgens de curatoren, omdat hij de impressionisten ondersteunde in een tijd waarin niemand er pap van lustte ─ uitgerekend dezelfde impressionisten die nu als geen andere kunstenaars musea kunnen doen vollopen met bezoekers die er anders niet komen. Niet alleen Parijs krijgt de blockbuster-tentoonstelling overigens voorgeschoteld: daarna is Durand-Ruel ook te gast in de National Gallery in Londen en het Philadelphia Museum of Art.    

Je kan natuurlijk kanttekeningen plaatsen bij het heiligenleven dat de Durand-Ruel tentoonstelling vertelt over de handelaar. Maar dat de tentoonstelling er überhaupt is, plaatst ook het actuele debat in een ander licht. Uiteraard valt er iets te zeggen voor wat Braun of Tilroe roepen. Maar laat ons dat allemaal toch vooral met een historisch korreltje zout nemen. Je hoeft geen meters museumarchief door te nemen om te weten dat de handel in Durand-Ruels tijd minstens even sterk vervlochten was met het museale veld. En je hoeft geen stapels kunsttijdschriften uit de tijd door te bladeren om te zien dat ook toen al de commercie werd gecast in de klassieke rol van erfvijand van de kunsten. Dat weerhoudt grote musea van vandaag blijkbaar niet van een ode aan de kunsthandel van vroeger. Over honderd jaar misschien een tentoonstelling gewijd aan de steenrijke en oppermachtige hedendaagse kunstmogol Larry Gagosian en zijn galerie? Volgens mij zal het zo lang niet duren.

Image credits: 
Tentoonstelling Paul Durand-Ruel, le pari de l’Impressionisme, Parijs, Musée du Luxembourg, 9 oktober 2014 – 8 februari 2015. © Didier Plowy pour la RMN-Grand Palais, Paris 2014

(Te) commercieel? Het Van Gogh Museum gaat in consultancy

Door Helleke van den Braber

image

Twee weken geleden liet het Van Gogh Museum weten een nieuwe inkomstenbron te hebben gevonden. Verrassend, want het museum staat nu niet direct bekend om zijn armlastigheid. Het cultureel ondernemerschap van het museum is voorbeeldig: liefst 80,3% van het jaarlijkse budget wordt zelf verdiend (42,9 uit entree-inkomsten en 37,4 uit commerciële activiteiten, merchandise en sponsoring); de overheid springt voor slechts 19,7 procent bij. Met de ‘eigen inkomsten-norm’ van 21,5 procent die sinds 2013 voor musea geldt (alleen instellingen die 21,5% van hun inkomsten zelf verdienen kunnen subsidie aanvragen) veegt het Van Gogh Museum dus glimlachend de vloer aan.

Toch heeft het museum nu besloten nóg ondernemender te worden, en zijn kennis en medewerkers volop commercieel te gaan exploiteren. De museumexperts zijn voortaan tegen uurtarief te huur voor iedereen die behoefte heeft aan expertise op het terrein van educatie, behoud of restauratie van kunst. Het museum gaat dus in consultancy. Beoogde klanten zijn andere musea, bedrijven en particuliere kunstverzamelaars. Dit is om twee redenen een interessante stap. Ten eerste omdat hier niet meer alleen de (toegang tot) kunst vermarkt wordt, maar ook de (toegang tot) kennis rond, over en van kunstwerken. En ten tweede omdat het museum hiermee de bestaande informele geefrelaties in de culturele wereld verregaand verzakelijkt.

In De Volkskrant van 11 oktober 2014 zegt Benno Tempel, directeur van het Haags Gemeentemuseum, dat hij het maar vreemd vindt dat het Van Gogh geld wil zien voor inzet van zijn expertise. Onderlinge dienstverlening gebeurt tussen musea van oudsher met gesloten beurzen. Wie geeft kan er op rekenen terug te krijgen. Tempel: “Het past niet bij de museumcultuur. Daar draait het om de gunfactor: ik help jou, jij helpt mij. Helpen wij een verzamelaar, dan kunnen wij hem weer benaderen voor bruikleen van een werk. Soms krijgen we een stuk geschonken, als dank.” Ook het ministerie van OCW kan de commerciële aspiraties van het museum maar weinig waarderen. “De zakelijke activiteiten moeten de museale taken niet in de weg zitten. Daarvoor krijgt het museum subsidie”, waarschuwt een woordvoerder. Kennelijk kunnen instellingen hun ondernemerschap ook overdrijven.

Tempels verbazing en de ongerustheid van OCW krijgen reliëf als we kijken naar onderzoek van cultuursocioloog Hans Abbing, die in 2004 stelde dat de meeste uitwisselingen in de kunstwereld in het teken staan van de ‘giftsfeer’, een sfeer die op gespannen voet staat met de ‘marktsfeer’. Marktdenken in de culturele sector mag wel, maar alleen als het zich verbergt en verhult als gift. Uitwisselen en weggeven van kennis doe je om op jouw beurt van de giften van anderen te profiteren, en niet om eraan te verdienen. Onbeschaamde zakelijkheid is een taboe, en kunstinstellingen die zich openlijk in de marktsfeer positioneren kunnen rekenen op onbegrip. Of erger: reputatieschade.

Dat laatste is voor het museum wel een punt van zorg. De reputatie van het Van Gogh is – naast de collectie – hun meest waardevolle bezit. Benno Tempel vreest het ergste: “we moeten het [als musea] hebben van onze reputatie. Die is wereldtop. Als ik voor advies en andere diensten geld ga vragen, zou ik dat kapot maken”. Artistieke waarde en reputatie mag van hem kennelijk niet al te nauw geassocieerd worden met economische waarde. Kunst (en de exploitatie en presentatie van kunst) kan niet te veel over geld gaan, want anders geldt het misschien niet meer als kunst – alleen nog als handel.

Het Van Gogh Museum denkt daar anders over, en durft de grenzen op te zoeken. De stap naar consultancy is (ook) een verkenning van wat wel en niet kan en mag in de huidige cultuursector – ook al stoot je daarbij collega-musea en beleidsmakers stevig voor het hoofd. Is dit het begin van een nieuw type ondernemerschap, dat niet alleen in de museumwereld, maar ook in die van het theater of de muziek nieuwe kansen gaat bieden?

Afbeelding: via Rinuseversen1 onder Creative Commons

Het (reis)doel heiligt de middelen

Door Tom Sintobin

image

In NRC Weekend van zaterdag 4 & zondag 5 oktober 2014 weet Ivo Weyel het zeker: ‘Ten dollars a day keeps progress away.’ Hij haalt het zinnetje naar eigen zeggen uit ‘een verklaring van de United Nations’ over het zogenaamde Pro-poor Tourism. Weyel citeert Lelei LeLaulu om die gedachte te definiëren. Op een bijeenkomst over klimaatverandering en toerisme uit 2007 stelde die namelijk: ‘Tourism is the most potent anti-poverty tool ever, it is the largest voluntary transfer of resources from the rich to the poor in history’. Pro-poor tourism bewegingen gaan er inderdaad van uit dat toerisme op allerhande manieren kan bijdragen tot het wegwerken van het sociale en economische onevenwicht in de wereld. Er worden immers banen gecreëerd in ontwikkelingslanden, er komt meer onderwijs om die banen ingevuld te krijgen, geïsoleerde en kansarme bestemmingen krijgen zelf ook toegang tot de wereld dankzij het feit dat er infrastructuur komt om ze te ontsluiten, en er komt geld binnen: van (buitenlandse of nationale) investeerders en van bezoekers. Ten minste: als dat toerisme verantwoord georganiseerd wordt. Dat is lang niet altijd het geval, zo blijkt uit onderzoek. Om het geval van Malindi in Kenia maar even te nemen: het toeristische bedrijf daar, zo schrijven Hazel Tucker en John Akama in The Sage Handbook of Tourism Studies (2009), werd vooral door Italianen en met Italiaans geld uitgebouwd –hotels, binnenlandse vluchten, huurwagenbedrijven,… zijn allemaal ‘Italian owned’ –, en onderzoekers hebben geschat dat zo’n 80 procent van de inkomsten terugvloeien naar Italië. Weyel heeft dus een punt als hij dergelijke wantoestanden op de korrel neemt.

Hij opent zijn artikel met een snerende beschrijving van twee rugzaktoeristen die hij op een vliegtuig richting de Filippijnen sprak. Terwijl zij ‘als lastdieren in de meute’, midden in de nacht en bij een temperatuur van dertig graden, ‘Sans airco.’, met het openbare vervoer naar de stad probeerden te geraken om hun vooropgestelde budget van tien euro per dag niet te overschrijden, zoefde hijzelf in geen tijd ‘airconditioned en met een koel flesje water’ naar zijn hotel. Hij slaat zich op de borst: ‘Aangekomen bij het hotel had ik het honderdvoudige uitgegeven aan kruier en taxichauffeur. Inclusief fooi voor de kofferdragers van het hotel, had ik daarmee al heel wat plaatselijke gezinnen in hun levensonderhoud helpen voorzien.’ Zijn stijl van reizen, die hij ‘high spending’ noemt en het beste gedijt in een ‘high-end and exclusive resort’, acht hij dus waardevoller dan andere vormen van toerisme, de backpacker en ‘de toerist die voor een habbekrats in een all-inclusive resort verblijft’ op kop. ‘Het moet’ aldus Weyel, ‘afgelopen zijn met het voor-een-dubbeltje-op-de-eerste-rij-toerisme, want goedkoop massatoerisme – ook het goedkope toerisme dat onder de noemer ecotoerisme valt – is funest voor natuur en plaatselijke bevolking. […] In arme landen en/of beschermde natuurgebieden is niets of niemand gebaat, noch blij, met alleen uw blauwe ogen en vriendelijke o-wat-ben-ik-gezellig-één-met-de-bevolkingblik.’ En hij besluit: ‘Hoe armer het land, hoe meer u (terecht!) wordt gezien en verwelkomd als een oergezonde Hollandse cash cow. Gedraag u dan ook zo.’

In deze tekst gebeuren curieuze dingen. Backpackers en mensen die een all-inclusive trip boeken worden bijvoorbeeld probleemloos op één lijn gezet: het zijn allemaal gierigaards. Als er nu één plek is waar een beetje stielvaste rugzaktoerist nooit een voet zou binnenzetten, dan is het wel in zo’n all-inclusive resort; hij zou er trouwens meteen uitgebonjourd worden door beveiligingspersoneel dat uit zijn doppen kijkt. Weyel blijkt evenmin kennis te hebben van de diverse modellen die binnen toerismestudies zijn opgesteld om te beschrijven hoe een toeristische bestemming zich precies ontwikkelt, zoals bijvoorbeeld dat van de geograaf R.W. Butler. Doorgaans wordt daarin beschreven hoe bestemmingen eerst ontdekt worden door pioniers: reizigers, vaak jongeren, die door hun leeftijd, financiële en sociale toestand etc. geneigd zijn om iets nieuws te proberen. Naarmate hun aantallen toenemen, neemt de bekendheid en de populariteit van de bestemming toe, zodat de betrokkenheid van de locale bevolking en investeerders (lokale en andere), alsmede de infrastructuur, groeit. Na verloop van tijd weet ook de massa de inmiddels netjes geplaveide weg te vinden. Als deze voorstelling van zaken klopt, dan zijn Weyels backpackers, die gebruik maken van het openbare vervoer om ook niet- of minder-toeristische bestemmingen te kunnen bereiken, in vele gevallen geen vrekken, maar de voorhoede van het grote kapitaal. En nog afgezien daarvan: waarom zou een land als Australië zichzelf met zoveel zorg als een backpackersdestination in de markt zetten als daarmee geen AUD te verdienen zou zijn? Met deze reflecties over het slijk der aarde hebben we nog een aspect van Weyels tekst aangeraakt: het contact tussen de gastheer en de bezoeker waardeert hij hoofdzakelijk in economische termen: toerisme moet allereerst een geldstroom op gang brengen. Op dat vlak valt Weyel zelf, of toch zijn vertellende alterego, beslist niets te verwijten, want hij koopt ‘souvenirs bij de vleet’ en geeft ‘fooi dat het een lieve lust is’. Wie wel eens gereisd heeft in een land dat in het verleden door vooral Amerikaanse toeristen is platgegooid met fooien, weet hoe desastreus deze comodificatie van vriendelijkheid kan zijn voor de sociale omgangsvormen. Maar daar hoeft Weyel niet aan te denken, zolang er maar gespendeerd wordt. Het doel heiligt de middelen.

Het ecologische aspect van ‘sustainable tourism’ komt er in de tekst eveneens bekaaid van af. Het komt vrijwel uitsluitend voor in tussenzinnetjes, niet in de vorm van een uitgewerkt argument, en wordt dus overduidelijk als een verplicht nummertje opgevoerd. Het komt door Weyels fascinatie voor airco ook allesbehalve oprecht over. Weyel beroept zich op ‘een schema’ uit een ‘rapport’ om te bewijzen dat high-end tourism het meeste bijdraagt tot de bestrijding van armoede en het behoud van het milieu, en goedkopere vormen van toerisme het minste. Helaas heb ik dat ‘rapport’ niet online kunnen terugvinden, net zo min als de verklaring van de United Nations over Pro-poor tourism, trouwens. Wel vond ik een artikel van Daniel Peak, ‘Is tourism helping to alleviate poverty in the poor southern hemisphere countries’, met een soortgelijk schema. Daaruit blijkt dat niet de meest luxueuze resorts, want daar treedt gewoonlijk veel ‘leakage’ op (het terugvloeien van geld naar het Westen), maar juist het ‘Mass Market resort’ de meeste banen creëert en dus de grootste impact heeft op de locale economie: het door Weyel gelaakte massatoerisme, dus.

Ooit, in een grijs verleden aan een middelbare school, wilden mijn klasgenoten en ik een actie op het getouw zetten om 11 11 11 te steunen. De grootste groep organiseerde een ‘sober maal’ dat amper iets opbracht, een drietal Machiavellistische nozems verkocht hamburgers op de speelplaats en schepte een smerige hoop geld. Eén derde ging naar 11 11 11, met de rest ging het trio uitgebreid op skivakantie. Daar hadden ze geen airco nodig.

Image credits: Leslie via http://en.wikipedia.org/wiki/Slum_tourism#mediaviewer/File:Leslie_five_points_new_york_1885_3c22660v.jpg Shared under Creative Commons.

Master Kunstbeleid en Mecenaat

In het masterprogramma kunstbeleid en mecenaat aan de Radboud Universiteit Nijmegen leer je nadenken over vragen als: zijn bezuinigingen op kunst en cultuur wel zo erg? De kunsten kunnen toch best zichzelf bedruipen? Of is het een taak van de overheid om te investeren in kunst en cultuur? En zo ja, waarom dan? In dit masterprogramma staat niet het kunstwerk zelf centraal, maar de maatschappelijke rol en context van kunst en cultuur. Dat bekijk je vanuit het perspectief van de overheid, van de mecenas of cultuursponsor en van de kunsthandel.

In dit masterprogramma stap je regelrecht de praktijk in. Zo krijg je een goed beeld van de culturele sector en het werkveld waar je als afgestudeerde in terechtkomt. Toch is dit niet alleen een programma voor doeners, maar ook voor denkers. Je denkt kritisch na over wat er in de praktijk gebeurt en om achterliggende motieven en argumenten in (beleids)discussies bloot te leggen. Dat doe je in colleges, maar ook tijdens je onderzoeksstage. Zo kun je bijdragen aan effectievere investeringen en projecten in de wereld van kunst en cultuur.

De Masterprogramma’s van Algemene Cultuurwetenschappen:

image

 

image