Cybercouture: twitteren met je trui

image

Door Anneke Smelik

Zou het niet geweldig zijn als je stroom kan
opwekken met je colbertje? Je mobiel kan opladen in de achterzak van je
spijkerbroek? Of kan twitteren met je trui? 

‘Draagbare
technologie’ is de nieuwe mode. Mode-ontwerpers en wetenschappers verwerken elektronica,
vitaminen, microprocessoren, zonnepanelen, LEDs, of interactieve interfaces in kleding.
De toepassing van zulke ‘slimme materialen’ in modeontwerp staan aan de basis
van wat ik ‘cybercouture’ noem. Dat klinkt misschien als toekomstmuziek, maar in
Nederland wordt hier al volop mee geëxperimenteerd. Kunstenaars en ontwerpers, zoals
Pauline van Dongen, Iris van Herpen, Bart Hess, Daan Roosegaarde, Marina
Toeters en Anouk Wipprecht, vormen de avant-garde in het internationale veld
van cybercouture. Toch zien we de cybercouture nog niet terug in de mode op
straat. ‘Wearables’ (zoals draagbare technologie in vaktermen heet) komen
zelden verder dan het laboratorium of de catwalk en blijven te veel hangen in
de sfeer van ‘gadgets’ en ‘gimmicks’.

Daarom zijn we vorig jaar aan
de Radboud Universiteit Nijmegen, samen met de Technische Universiteit
Eindhoven en de modeacademie ArtEZ in Arnhem, een interdisciplinair
onderzoeksproject gestart, ‘Crafting Wearables’, waarin mode, technologie,
industrie, en wetenschappelijk onderzoek samenwerken. We willen wearables
ontwerpen die duurzaam, modieus én commercieel haalbaar zijn. Een ‘nerdy’
outfit mag dan wel een technologisch hoogstandje zijn, maar het moet je ook
goed staan en lekker zitten. En het moet iets toevoegen aan de volle klerenkast
en de vele technologische apparaten die je al hebt. Zou het niet ideaal zijn
als mijn favoriete spijkerjasje op festivals tegelijkertijd als telefoonoplader
dient of als mijn trui warmte afgeeft wanneer het aan het eind van de dag
frisser wordt?

In cybercouture
versmelten het lichaam, de kleding en de technologie. Die intense en intieme
verbondenheid tussen mens en technologie doet iets met onze identiteit. Daarom roept
cybercouture ook filosofische vragen op: word ik me door het t-shirt dat mijn
bloeddruk in de gaten houdt niet ineens veel bewuster van mijn lichaam? Wat
doet het met mijn vriendschappen als mijn jurk mijn emoties weerspiegelt zonder
dat ik ze hoef uit te spreken? Wearables creëren een weefsel van complexe en
mobiele relaties tussen de mens en haar lichaam, technologie, en samenleving.
Zo helpt cybercouture om die relaties te verdiepen, veranderen en
tegelijkertijd kritisch te bevragen.

Image ‘Iris van Herpen’ by Zack Balbino via  https://www.flickr.com/photos/94329551@N07/8832556696 under Creative Commons

De tien beste Nederlandse mecenassen (van de laatste honderdvijftig jaar)

Door Helleke van den Braber

image

The Guardian presenteerde een paar weken terug‘
the 10 best art patrons
’ aller tijden: tien opvallende mecenassen (vijf uit
het verleden, vijf hedendaagse), die de kunsten ieder op hun eigen wijze hebben
ondersteund. Een internationaal gezelschap van gulle gevers, soms bescheiden,
vaak veeleisend, meestal excentriek, dat een al even opvallende verzameling
kunstenaars om zich heen verzamelde.

Het lijstje zet aan het denken. Het
kabinet-Rutte ijvert al
tijden
voor een nieuwe bloei van het Nederlandse mecenaat. Gulle gevers
zouden meer uit de schaduw moeten stappen, ter inspiratie van een nieuwe
generatie weldoeners. Zou een top tien van markante Nederlandse mecenassen
daarbij kunnen helpen? Vast wel. Daarom: anderhalve eeuw vaderlands mecenaat in
tien kleurrijke namen.

1 Johannes
Kneppelhout
(rond 1860; muziek, literatuur,beeldende
kunst). Fanatieke weldoener
met licht neurotische trekjes die graag kunst én levenswandel van zijn protégés
bepaalde; had een voorkeur voor zeer jonge en maximaal kneedbare ‘artisten’. Hoopte
dat zijn protégés zijn naam als weldoener zouden vestigen tot aan het Parijse
hof aan toe. Werd daarin teleurgesteld.

2 Abraham
Wertheim
(rond 1890; theater, muziek, beeldende kunst).
Armlastige kunstenaars die bij deze bankier
binnenliepen gingen zelden met lege handen de deur uit. Wertheim wilde trots
kunnen zijn op cultuurstad Amsterdam en speelde daarom een hoofdrol in de bouw
en financiering van cultuurtempels als de Stadsschouwburg;  gewiekste zakenman met groot hart.

3 Hélène
Kröller-Müller
(rond 1920; beeldende kunst). Kunstminnende
dame
met ijzeren wil
die tonnen uitgaf aan haar kunstcollectie en de bouw van
haar eigen museum, maar wier hoge verwachtingen en onmogelijke eisen haar architect
Van de Velde horendol maakten. Verzekerde hem desondanks dat ze ‘(…) geen
opdrachtgeefster [was]ter wille van mijzelf, maar ter wille van de kunst’.

4 René Radermacher
Schorer
(rond 1930; literatuur, beeldende kunst). Mecenaat
op grote schaal door bescheiden, empathische en wat onzekere aristocraat;
ondersteunde een kring van tientallen schrijvers en kunstenaars; onder hen veel
experimentele avantgardisten. Plus ook nu nog aansprekende namen als Hendrik
Marsman, Jacques Bloem en Charley Toorop.

5 Joop
Colson
(rond 1960; beeldende kunst, literatuur,
muziek). Rijke fotograaf die Kasteel
Groeneveld in Baarn kocht en daarna tevreden toekeek hoe ‘langharige artiesten
in vieze truien (…) fotografen, (…) proletarische dichters uit Het Gooi…’ zijn
kasteel overspoelden. Hielp ondertussen tientallen kunstenaars aan werk, schoof
hen van tijd tot tijd geld toe en betaalde hun studies.

6 Ludo
Pieters
(rond 1970; literatuur). Havenbaron en ‘Vriend en Beschermer’
van Gerard Reve die heel blij met hem was (‘Mijn halve lichaam jeukt al van
woede bij de gedachte alleen  – (…) dat
hij Bescherming, Goederen of Geld zou geven aan anderen dan aan mij’). Begon
als ‘Zeer geachte Heer P.’; werd al snel ‘Lieve Ludo’. Was vooral goed in het
schrijven van bemoedigende brieven: zijn financiële steun was bescheiden.

7 Pieter
Geelen
(huidige tijd; beeldende kunst, literatuur, muziek).
Deze oprichter van TomTom (en zoon van kunstenaarsduo Imme Dros en Harry
Geelen) schonk in 2005 het immense bedrag van 100 miljoen euro aan de door hem
opgerichte Turing
Foundation
. Niet al dat geld gaat naar de kunsten, maar het lijstje
ondersteunde kunstprojecten is desondanks indrukwekkend. Houdt vooral van kunst
die een brug naar het publiek weet te slaan.

8 Robert
Korstanje
(huidige tijd; popmuziek). Energieke ondernemer
die rijk werd in de verpakkingsindustrie; exotisch vanwege zijn liefde voor
metalmuziek en zijn voornemen om de stad Nijmegen met het door hem ondersteunde
(en geleide) festival Fortarock als
metalstad op de kaart te zetten. Financiert ook metal-avonden in poppodium
Doornroosje. Is vanwege zijn ondernemersgeest en stadstrots in feite een
directe nazaat van Wertheim (nr 2).

9 Han Nefkens (huidige tijd; beeldende kunst, mode). Wil  ‘erbij zijn wanneer een kunstwerk geboren
wordt’ en reist de wereld af om opdrachten te verlenen aan cutting edge beeldend kunstenaars. Stelt daarna hun werk
beschikbaar aan gerenommeerde musea,
wat niet alleen de kunstenaars en de musea helpt, maar ook hemzelf een vleugje
onsterfelijkheid verleent. Publiceerde in 2011 een lijvig boek
over zijn goede daden (net als nr 10 overigens, ook
in 2011
).

10 Joop
van den Ende
(huidige tijd; vooral podiumkunsten). De
onbetwiste koning van
het Nederlandse mecenaat, alleen al omdat hij zo vaak op die rol wordt
aangesproken. Schenkt jaarlijks miljoenen euro aan zijn VandenEnde Foundation, maar
selecteert de kunstenaars die ondersteuning krijgen liever niet zelf. Is
desondanks blij weldoener te zijn, want ‘een gevoel van gêne speelt ook mee,
als je achter je naam enige miljarden ziet staan’.

(Volgende keer, op verzoek: een lijstje van de
tien opvallendste Nederlandse ontvangers
van steun sinds 1850. En ja, Reve staat daarop, net als Willem Kloos. En Halina
Reijn.)

Beeld via: http://pixabay.com/nl/geven-en-nemen-verkeersbord-556151/

De kunstenaar als hart van de economie?

Door Martijn Stevens

image

Het concept van de creatieve industrie lijkt paradoxaal. In de Nederlandse taal verwijst ‘industrie’ tenslotte naar de grootschalige en marktgerichte productie van materiële goederen. Creativiteit is daarentegen een persoonskenmerk van individuen. Ze wordt in verband gebracht met intrinsieke motivatie en de innerlijke drang om te creëren, die allebei nadrukkelijk losstaan van economisch gewin of maatschappelijk aanzien.

Sinds de negentiende eeuw wordt creativiteit daarom ook in verband gebracht met vrijheid, zelfbeschikking en authenticiteit. Deze waarden kwamen echter onder druk te staan door de opkomst van het zogeheten ‘fordisme’ in het begin van de twintigste eeuw, dat is genoemd naar de ideeën van autoproducent Henry Ford. De introductie van de assemblagelijn in fabrieken zorgde destijds voor schaalvergroting en efficiëntie bij de productie van auto’s, maar het artistieke proces werd evenzeer gestandaardiseerd. De productie van films in Hollywood werd bijvoorbeeld ‘lopendebandwerk’ en ook de mode-industrie is volledig gebaseerd op massificatie en commercialisering.

In het eerste decennium van de eenentwintigste eeuw heeft een snelle opeenvolging van ecologische en financiële crises evenwel gezorgd voor onrust en onzekerheid in verschillende delen van de wereld. Bedrijven en maatschappelijke organisaties worden hierdoor geconfronteerd met wicked problems, die notoir complex, tegenstrijdig en onvoorspelbaar zijn. Creativiteit en innovatie worden daarom belangrijker geacht dan standaardisering, schaalvergroting en massaconsumptie. Innovatie behelst kortweg de concrete toepassing van nieuwe ideeën met de bedoeling om steeds vernieuwende producten, diensten of processen te ontwikkelen.

Creativiteit wordt doorgaans beschouwd als de bron van deze ideeën en geldt daarom als een drijvende kracht achter innovatie. Hoewel beide concepten op uiteenlopende manieren zijn gedefinieerd en de relatie ertussen allerminst eenduidig is, wordt tegenwoordig alom verondersteld dat creativiteit en innovatie ontegenzeglijk bijdragen tot economische welvaart en maatschappelijk welzijn. Dikwijls wordt zelfs gesuggereerd dat de industriële economie van weleer inmiddels is overgegaan in een creatieve economie. Hiermee wordt niet gedoeld op de voortschrijdende commercialisering van de kunsten of de groeiende belangstelling voor de macro-economische effecten van de culturele sector. De tucht van de markt is daarbij een leidend principe en overheidsingrijpen wordt alleen toegestaan in het geval van marktfalen.

Het fenomeen van de creatieve economie is echter niet zozeer een uitwas van de economisering van kunst en cultuur, als wel van de toenemende ‘culturalisering’ van de economie. De toverwoorden in hedendaagse uitingen van management speak – creativiteit, passie, authenticiteit – zijn tekenend voor deze ontwikkeling. Dergelijke kwalificaties waren oorspronkelijk immers voorbehouden aan het werk van kunstenaars, maar ze lijken inmiddels gangbare eisen bij de vervulling van allerhande functies in het economische verkeer. Hieruit blijkt dat het concept van de creatieve industrie misschien toch niet tegenstrijdig is met zichzelf. In plaats daarvan is het romantische beeld van de kunstenaar die weerstand biedt aan de onderdrukking door sociale, politieke en technische structuren definitief verworden tot een anachronisme of een echo uit het verleden. Als de profielschets van de kunstenaar namelijk perfect tegemoetkomt aan de functie-eisen van de hedendaags economie, betreft de échte innovatie in het domein van de creatieve industrie wellicht vooral kunstenaars zelf – juist wanneer zij zich bewegen van een marginale positie naar het hart van de economie. Welke functies zijn voor hen nog weggelegd in postfordistische tijden? 

Beeld credits: Banksy, Capitalism for Sale, foto Bruce Krasting via https://www.flickr.com/photos/bruce_krasting/7003771293/ via creative commons