De keuzeparadox

Door Sofie Verburg

image

Is meer minder?Deze vraag werd gesteld tijdens een lezing van Barry Schwartz aan de Radboud
universiteit over wat hij noemt de
keuzeparadox
. In zijn boek The Paradox of Choice. Why more is less. How the Culture
of Abundance robs us of satisfaction
, stelt Schwartz dat,  hoewel een zekere mate van keuzemogelijkheid
bijdraagt aan het gevoel van autonomie, controle en vrijheid, juist een teveel
aan mogelijkheden kan leiden tot verlamming, verwarring en ontevredenheid.

In een aflevering
van “24 uur met”, werd de stelling van Schwartz mooi geïllustreerd. In de
uitzending van 9 januari
was Frans Bauer te gast bij Theo Maassen (vanaf 2m52). Hij vertelde over het
enorme aanbod van aardbeienjam in zijn supermarkt en hoe dat groeiende aanbod
hem vooral veel tijd kost om zijn eigen vertrouwde pot jam te vinden.

Het staat buiten
kijf dat de mogelijkheid om zelf te kunnen kiezen voor een groot gevoel van
vrijheid zorgt en dat deze keuzevrijheid bijdraagt aan ons welzijn.  We bepalen zelf welk model spijkerbroek bij
ons past en of we skinny of bootcut willen dragen. We kiezen
welke aardbeienjam we op ons brood willen smeren en aan welk eisen onze
muziekspeler moet voldoen. Maar er is een dunne grens tussen een prettige
hoeveelheid opties en een onoverzichtelijk aantal mogelijkheden dat verlamt. We
worden ons steeds bewuster van onze keuzemogelijkheden en de consequenties van
de keuzes die we maken. Hoe meer alternatieven, des te hoger de
verwachtingen.  Daarbij zijn we zelf
verantwoordelijk, ook als we achteraf niet zo tevreden blijken te zijn met het
resultaat. Hoe belangrijker het onderwerp is waarover we moeten beslissen, het
groter de stress wordt. Welke bacheloropleiding ga je doen? Voldoet die aan al mijn
wensen en vind ik daarmee een gave baan? Verkeerde studie gekozen? Dan draai je
zelf op voor de kosten. Verkeerde keuzevakken? Dan ben je zelf verantwoordelijk
voor je studievertraging. Welke master kies je vervolgens? Alleen al het kiezen
van een scriptieonderwerp kan enorm stressvol zijn.

Schwartz onderscheidt in zijn boek twee soorten mensen; maximizers en satisfiers.
De maximizer zoekt de allerbeste
optie. Hij bestudeert al zijn mogelijkheden, en steekt veel tijd (geld) en
energie in zijn zoektocht naar de perfecte keus. Omdat hij een duidelijk doel
voor ogen heeft (‘ik wil de beste auto’), zijn de verwachtingen enorm hoog en is
hij er uiteindelijk minder tevreden mee in vergelijking tot de satisfier. Die zoekt namelijk naar “goed
genoeg”, maakt zich geen zorgen over de mogelijk misgelopen betere alternatieven.
Een satisfier is dus altijd meer
tevreden met zijn besluit dan een maximiser.

De keuzestress
die we in onze Westerse maatschappij ervaren, wordt meer en meer erkend en daar
wordt heel handig op in gespeeld. Coaches bieden voor goed geld workshops aan over keuzestress
en Barry Schwartz geeft druk bezochte lezingen. Allemaal springen ze in op de behoefte om te
leren omgaan met die keuzestress in de hoop dat we duidelijk krijgen wat we nou
precies willen zodat we daar heel gericht voor kunnen kiezen. Tot voor kort behoorde de keuzeparadox exclusief tot het werkterrein van
psychologen, maar inmiddels is het ook opgepakt door verschillende creatieven; in maart is in
Nijmegen het eerste, spannende Choice Makers Festival

Bij onze opleiding Kunst en
Cultuurwetenschappen is het aantal scriptie-onderwerpen beperkt tot de grenzen
van het domein van de cultuurwetenschappen; voor studenten biedt dat een enorme
hoeveelheid mogelijke scriptieonderwerpen. Misschien moeten we, omwille van het
reduceren van keuzestress en het helpen van de maximizers, het aantal scriptie-onderwerpen toch gaan beperken?

Muziek voor de ogen

Door Natascha Veldhorst

Deze maand een visuele primeur in het Amsterdamse Concertgebouw: Stravinsky’s _Vuurvogel_gespeeld door het Nederlands Philharmonisch Orkest, met geprojecteerde beeldenop een scherm van ruim vijftien meter breed. ‘Symphonic Cinema’ doopte regisseur
Lucas van Woerkum dit nieuwe filmgenre. Geen bioscoopfilm met live muziek, maar het omgekeerde:
orkestmuziek met filmbegeleiding. Bij Symphonic Cinema staat de muziek voorop.

Het is veelzeggend dat dit fenomeen juist nu voet
aan de grond krijgt. Grof geschut wordt ingezet om het tij van de leegstromende
zalen te keren (hier: bekende acteurs, Gijs Scholten van Aschat en Hannah
Hoekstra). Meer zintuigen prikkelen, dat is het credo. En dus zal het vast niet
lang meer duren of ook de vroegere geurexperimenten uit bioscopen (Odorama, Smell-O-Vision) gaan de concertzalen veroveren.

image

Mensen die voor het eerst een klassiek concert
bezoeken noemen het een nadeel dat er op het toneel helemaal niets te zien is.
Je zit een avond lang te kijken naar mensen in saaie zwarte pakken die knullig heen
en weer bewegen op hun stoel en steeds op hun bladmuziek turen zonder contact
maken met hun publiek. Dat geeft een akelig gevoel (‘Ik word als toeschouwer
genegeerd’). Waren ze tussendoor maar opgestaan om een dansje voor ons te doen
of desnoods twee bemoedigende zinnen door een microfoon te roepen. Maar nee, dat
gebeurde niet. Overigens wordt datzelfde nadeel, het statische toneelbeeld, door
andere bezoekers juist als een groot voordeel gezien (‘Ik maak zelf wel uit welke
beelden ik wil zien, misschien wil ik wel helemaal niets zien. Ik kom hier om
te luisteren’).

Deze discussie, tussen voorstanders van ‘muziek-met
‘en die van ‘muziek-zonder’, wordt nu al twee eeuwen gevoerd. Componist/musicoloog
Elmer Schönberger hield in 2007 ‒ in navolging van
zijn Amerikaanse collega Peter Kivy (‘Music Alone’) ‒ nog een krachtig pleidooi voor het laatste, door hem ‘Het Grote
Luisteren’
genoemd, maar dit lijkt inmiddels een kreet uit een verloren tijdperk.
Zulke ‘pure muziek’ is voorgoed ouderwets geworden.

We willen alles begrijpen wat we horen.
Tegelijkertijd zijn we niet gewend om onze verbeelding te gebruiken. Dat valt
niet met elkaar te rijmen. Daarom zijn we zo blij met mensen die ons haarfijn kunnen
uitleggen dat op dat beroemde abstracte kunstwerk de bloederige klodders tegen
een achtergrond van groene lijnen niet alleen het diepste emotionele dal van de
kunstenaar verbeelden maar ook een impressie geven van het schamele onderkomen
uit diens jeugd, ver weg in een verlaten dorpje vol magere geiten in het
hooggebergte van de Sierra Nevada. En daarom zijn we ook zo dolgelukkig met
Lucas van Woerkum, die ons tijdens dat ontiegelijk saaie klassieke concert heel
precies in beelden uitlegt wat we moeten horen. Wat een opluchting!

What if wearable tech were truly wearable?

By Lianne Toussaint

image

“Smart clothes are hot,” stated the Een Vandaag news item last October. According to the television programme, a revolution is taking place in the fashion industry. However, as Anneke Smelik noted in a previous post on this blog, wearable technology is not something that many of us are actually wearing. The question is: why would we?

Currently on show at the Boijmans van Beuningen museum in Rotterdam is the exhibition ‘The Future of Fashion is Now’ (until January 18, 2015), which includes several designs that can be described as wearable technology: the famous laser-beam hat by Hussein Chalayan, the cell phone charging ‘Solar Dress’ by Pauline van Dongen and sound-activated clothing by Ying Gao. These projects are displayed in the museum for a reason: they are visually stunning, technically complex, highly artistic and all raise question as to what fashion is and could be. Yet, although fascinating in its own right, this is not the kind of fashion that you and me would be able to buy and wear. The one-off pieces are but prototypes of a future yet to come and designed to be looked at, rather than worn. Recent developments, however, indicate that wearable tech is on the verge of a breakthrough in a more mundane context as well.

Last December, the collaborative project ‘Zorgzame Bedrijfskleding’ (‘Careful Corporate Clothing’) was presented during a health care conference in Rotterdam. The projected resulted in a collection of sustainable and supportive garments for nurses, including some designs with a posture sensor, gas sensor and antibacterial coating. The posture sensor helps healthcare employees – who often perform physically heavy work – to be more aware of how they use their bodies and prevent any overburden, while the gas sensor can warn them of any harmful gases. Another inspiring example is the ‘Mesopic / Light Jacket’ that Pauline van Dongen developed in collaboration with Philips Research. The jacket contains several LED ribbons that increase the wearer’s visibility and safety in a dark environment. The light strips have been integrated in such a subtle way, that the jacket has a desirable and fashionable look during the day, as well as an aesthetically pleasing functionality during night-time.

Projects like ‘Zorgzame Bedrijfskleding’ and ‘Mesopic’ indicate that the field of wearable technology is rapidly maturing. These examples imagine a time at which technology and fashion have will truly have become one: a time at which clothing will protect, support and care for us, in addition to being a form of expression and adornment. Yet, even if technology will help fashion to become a form of intimate caretaking rather than conspicuous consumption, the key to a proper revolution in the fashion industry is the wearer. Ultimately, if our future clothes will actively nurture, support and soothe us, how shall we treat them in return?

– Image licensed under the Creative Commons Attribution: LED Dress by Hussein Chalayan in collaboration with Swarovski, Autumn/Winter 2007, http://commons.wikimedia.org/wiki/File:LED_dress_by_Hussein_Chalayan.jpg

Leven in een science fictionwereld

By Edwin van Meerkerk

image

Hackerscollectief Anonymous dat jihadisten de oorlog verklaartDrones in de binnenstad. Nauwe banden tussen Google en high tech legeronderdeel DARPAThe Guardian die bericht over ‘augmented humans’ en minister Asscher die waarschuwt voor robots. De lijst met voorbeelden is eindeloos: we leven in een science fictionwereld. Waar schrijvers van toekomstromans al vaker voorspellende gaven werden toegedicht, lijken recente ontwikkelingen sneller te gaan dan menig science fictionschrijver kan bijbenen. William Gibsons uitspraak ‘the future is already here. It’s just not evenly distributed’ lijkt achterhaald: de toekomst is overal om ons heen. Tijd voor een stoomcursus science fiction.

Science fictionliteratuur en -films zijn lange tijd geassocieerd met lage cultuur: ongeloofwaardige verhalen over buitenaardse wezens, herschreven wild-westverhalen in de ruimte met veel laserstralen en vrouwen in stalen korsetten. De laatste jaren komt er echter steeds meer erkenning voor het genre, niet alleen voor de literaire en filmische kwaliteiten ervan, maar ook voor de manier waarop auteurs maatschappelijke thema’s aansnijden. Het genre komt rechtstreeks voort uit de literaire traditie van de utopie. Vanaf de naamgever van dat genre, Thomas More’s Utopia 1516, heeft de utopie een dubbel gezicht gehad. Utopie kan zowel ‘goede plek’ als ‘niet bestaande plek’ betekenen, en zo herbergt iedere utopie zowel ideaal als onbereikbaarheid in zich en is iedere utopie zijn tegengestelde: een dystopie.

Verschoof de focus van de utopie in de loop der jaren van onontdekte eilanden naar de toekomst, op dit moment heeft de werkelijkheid de fictie ingehaald. De observatiemaatschappij, geïmplanteerde chips en stamcelbehandelingen die het leven eindeloos lijken te kunnen rekken, in contrast met irrationeel geweld en barbarij, bieden een decor dat al vele malen in science fiction is geschetst. Hackers die het tegen de wereld opnemen leerden we kennen in Gibsons Neuromancer. Het syndicaat van Google en DARPA lijkt een kopie van Skynet uit de Terminator-films al die verhalen is het verschrikkelijke toekomstbeeld een verwording van iets dat ooit zo’n goed idee leek.

In de wereld van 2014 weten we niet meer precies wat het goede idee was dat zo uit de hand is gelopen en vragen we ons af hoe het kan dat dingen die we alleen uit films en boeken kennen ineens mogelijk zijn, van zelfrijdende auto’s tot het met hersengolven besturen van helicopters. Het is echter niet alleen de wereld van Buck Rogers ook één waarin de IS een staat sticht die alle trekken heeft van een waanzinnige dystopie.

Hoe nu verder? Is er een overlevingshandboek voor een science fictionwereld? Nee, helaas, dat is er niet. Of toch wel? Dystopische werelden worden ook omver geworpen in toekomstscenario’s. Neem de misschien wel beroemdste nachtmerrie, Brave New World van Aldous Huxley. Daar is het een Shakespeare lezende barbaar die de wereld op zijn kop zet. Er is dus nog hoop – en tot die tijd raad ik je aan altijd een handdoek bij je te hebben.

Afbeelding: http://upload.wikimedia.org/wikipedia/commons/2/29/Marines_experiment_with_military_robotics_RIMPAC_2014.jpg

Gouden Tijden

Door Mathijs Sanders

image

Op woensdagavond 22 oktober 2014 zong de poëzie door de Nijmeegse binnenstad. De twaalfde editie van het festival Onberf’lijk Vers bracht een groot aantal dichters uit alle windstreken samen, oude bekenden naast vooral veel jong talent. Op uiteenlopende locaties – van de boekwinkels en bibliotheek tot café De Mug – droegen zij ten overstaan van een groot en zeer gemengd publiek voor uit eigen werk.

Het succes van festivals als Onbederf’lijk Vers is helemaal niet vanzelfsprekend. De publiciteit voor dergelijke evenementen wordt immers overschaduwd door berichten over de malaise in de boekenbrache, de beeindiging van subsidies en zelfs het einde van de literaire cultuur, althans van de vanzelfsptrekendheid waarmee literatuur werd beschouwd als van groot belang – waarbij dat belang zich doorgaans omgekeerd evenredig verhield tot commercieel succes. Die ‘logica van de omgekeerde economie’, zoals de Franse cultuursocioloog Pierre Bourdieu die analyseerde, lijkt definitief voorbij. Romans zijn top of flop, waarbij De Wereld Draait Door als voornaamste autoriteit geldt. Top zijn vooral die boeken waarin bekende Nederlanders hun allerindividueelste emoties naar aanleiding van waargebeurde drama’s uitventen. Daar is natuurlijk weinig mis mee. Wel is het een verademing om te zien hoe in de niches van het literaire bedrijf nieuwe initiatieven tot bloei komen. Performance en participatie staan daarbij voorop. Lezers en luisteraars zijn steeds vaker ook deelnemers aan het literaire verkeer. Zij willen niet alleen iets lezen maar vooral iets beleven. Niet alleen het aanbod staat dan centraal, maar ook en vooral de vraag van lezers die meer willen zijn dan passieve toeschouwers.

In Bring on the Books for Everybody. How Literary Culture Became Popular Culture (2010) – een van de mooiste cultuurwetenschappelijke studies van de laatste jaren – beschrijft Jim Collins heel scherp de verschuivingen die zich in de literaire cultuur hebben voorgedaan.

‘As the pleasures of reading have become increasingly social, title selections must be a visible demonstration of personal taste, at that moment. The desire for the right title, driven by a persistent need to self-cultivate, but without a reliable authority that could be trusted to make the essential fine distinctions, has resulted in a taste vacuum that has been filled by the literary taste maven as media celebrity. […] New reading authorities had to emerge from within the mass media in order to reach a mass audience of readers in hot pursuit of the right book.’

De nieuwe autoriteiten over wie Collins schrijft (Oprah Winfrey en haar ‘Book Club’ voorop) functioneren in een boekenwereld waarin juist participatie en performance van schrijvers en lezers van het grootste belang zijn. Intussen spelen Nijmeegse studenten een belangrijke rol als locale smaakmakers voor de nieuwe poëzie. Door middel van crowdfunding via www.voordekunst.nl werd daags voor aanvang van het festival 101% van het benodigde budget binnengehaald. Op naar de editie 2015!

De kunstenaar als hart van de economie?

Door Martijn Stevens

image

Het concept van de creatieve industrie lijkt paradoxaal. In de Nederlandse taal verwijst ‘industrie’ tenslotte naar de grootschalige en marktgerichte productie van materiële goederen. Creativiteit is daarentegen een persoonskenmerk van individuen. Ze wordt in verband gebracht met intrinsieke motivatie en de innerlijke drang om te creëren, die allebei nadrukkelijk losstaan van economisch gewin of maatschappelijk aanzien.

Sinds de negentiende eeuw wordt creativiteit daarom ook in verband gebracht met vrijheid, zelfbeschikking en authenticiteit. Deze waarden kwamen echter onder druk te staan door de opkomst van het zogeheten ‘fordisme’ in het begin van de twintigste eeuw, dat is genoemd naar de ideeën van autoproducent Henry Ford. De introductie van de assemblagelijn in fabrieken zorgde destijds voor schaalvergroting en efficiëntie bij de productie van auto’s, maar het artistieke proces werd evenzeer gestandaardiseerd. De productie van films in Hollywood werd bijvoorbeeld ‘lopendebandwerk’ en ook de mode-industrie is volledig gebaseerd op massificatie en commercialisering.

In het eerste decennium van de eenentwintigste eeuw heeft een snelle opeenvolging van ecologische en financiële crises evenwel gezorgd voor onrust en onzekerheid in verschillende delen van de wereld. Bedrijven en maatschappelijke organisaties worden hierdoor geconfronteerd met wicked problems, die notoir complex, tegenstrijdig en onvoorspelbaar zijn. Creativiteit en innovatie worden daarom belangrijker geacht dan standaardisering, schaalvergroting en massaconsumptie. Innovatie behelst kortweg de concrete toepassing van nieuwe ideeën met de bedoeling om steeds vernieuwende producten, diensten of processen te ontwikkelen.

Creativiteit wordt doorgaans beschouwd als de bron van deze ideeën en geldt daarom als een drijvende kracht achter innovatie. Hoewel beide concepten op uiteenlopende manieren zijn gedefinieerd en de relatie ertussen allerminst eenduidig is, wordt tegenwoordig alom verondersteld dat creativiteit en innovatie ontegenzeglijk bijdragen tot economische welvaart en maatschappelijk welzijn. Dikwijls wordt zelfs gesuggereerd dat de industriële economie van weleer inmiddels is overgegaan in een creatieve economie. Hiermee wordt niet gedoeld op de voortschrijdende commercialisering van de kunsten of de groeiende belangstelling voor de macro-economische effecten van de culturele sector. De tucht van de markt is daarbij een leidend principe en overheidsingrijpen wordt alleen toegestaan in het geval van marktfalen.

Het fenomeen van de creatieve economie is echter niet zozeer een uitwas van de economisering van kunst en cultuur, als wel van de toenemende ‘culturalisering’ van de economie. De toverwoorden in hedendaagse uitingen van management speak – creativiteit, passie, authenticiteit – zijn tekenend voor deze ontwikkeling. Dergelijke kwalificaties waren oorspronkelijk immers voorbehouden aan het werk van kunstenaars, maar ze lijken inmiddels gangbare eisen bij de vervulling van allerhande functies in het economische verkeer. Hieruit blijkt dat het concept van de creatieve industrie misschien toch niet tegenstrijdig is met zichzelf. In plaats daarvan is het romantische beeld van de kunstenaar die weerstand biedt aan de onderdrukking door sociale, politieke en technische structuren definitief verworden tot een anachronisme of een echo uit het verleden. Als de profielschets van de kunstenaar namelijk perfect tegemoetkomt aan de functie-eisen van de hedendaags economie, betreft de échte innovatie in het domein van de creatieve industrie wellicht vooral kunstenaars zelf – juist wanneer zij zich bewegen van een marginale positie naar het hart van de economie. Welke functies zijn voor hen nog weggelegd in postfordistische tijden? 

Beeld credits: Banksy, Capitalism for Sale, foto Bruce Krasting via https://www.flickr.com/photos/bruce_krasting/7003771293/ via creative commons

Art meets money: a moral panic!

By Tessel M. Bauduin

image

Money, or more specifically, capital, is a hot and controversial issue in the art world. As Jan Baetens noted recently on this blog, commerce in and commercialization of the art world are debated subjects. Magazines and newspapers report record after record in sales: just recently, nine New York auctions of art from the 1950s to today raised (combined) $ 2.230.800.000, with Christies alone raising 853 mil. dollar (682 mil. euro). These sales led to, for instance, the Dutch newspaper the NRC, and international art news outlets such as the Art Newspaper and Art News proclaiming it the greatest auction record in history, and noting that ‘never before has so much money been spent on art in such a short period’.

The fact that for instance Triple Elvis by Andy Warhol was auctioned for $81.9m makes people upset, to say the least. There are complaints about the art market being a bubble. Auctions houses, gallery owners, and buyers are accused of speculating. New billionaire buyers on the art market buy art only as an investment; or, at best, they buy art to increase their social standing. All of this is clearly considered deplorable. As Matthew Slotover, co-founder of influential art platform Frieze stated recently at a panel discussion, ‘Money should follow art. Art should not follow money’.

The panel discussion in question was ‘Art, Capital & Avantgarde’, hosted at Amsterdam discussion venue De Balie as part of the Amsterdam Art Weekend programme (28-11-2014). Other speakers included the new director of the Stedelijk Museum, Beatrix Ruf, artist Zachary Formwalt, and sociology professor Olav Velthuis. The discussion’s description asked whether there still even is ‘critical potential to a painting that has become a market-fetish, a toy for speculative investors and a glaring symbol of the global inequality of wealth?’ Indeed, can one even avoid the ‘pitfall, power and influence of big money’?[1] A similar spirit of fear, distrust and even disgust towards money pervaded the panel. Traces of a moral panic were undeniably tangible. Artists, institutions, galleries and also, collectors and buyers should above all be motivated by the quality of art; or such was the consensus. The presence of capital in the art market—and its related associations of speculation and investment—was clearly considered a horrible development. Young rich buyers acquire art works of Hirst, Koons, Warhol or Richter only to store them; in other words, they don’t even have visual access to their art, let alone any aesthetic enjoyment if it. What horror!

The one really valuable contribution to the panel, in my view, was provided by the one scientist on the panel: sociologist Velthuis from the University of Amsterdam. Using data and statistics, Velthuis made clear that the money-discussion is indeed a moral panic, perpetrated by the media, which has nothing to do with actual developments in the art market. Indeed, corrected for inflation, the total amounts made at art auctions have over the past 30 years hardly kept any pace with the growing number of billionaires worldwide. Whatever those new billionaires are doing with their money, they’re certainly not buying art. Velthuis’s book Talking Prices. Symbolic Meanings of Prices on the Market for Contemporary Art (Princeton University Press, 2005) clearly outlines how the panicky art discourse operates, and subsequently demonstrates why it is based on untruths and distortions by using historical data and insightful statistic analysis.[2] Besides for students of art markets, art sociology, patronage and the arts in general, it should be obligatory reading for members of the art world as well.

In the end, the most important question, which touches upon the roots of this debate, remained unanswered. Why, in fact, are money and capital such “dirty” concepts in the art world? Why should art not follow money? Indeed, already in the art market of the Dutch Golden Age collectors were buying art as an investment, or to raise their social status, besides out of appreciation of its aesthetic qualities. In Renaissance times the Florentine Medici family were great patrons of the arts, and they used their patronage to gain further wealth, influence and power. Art has never stood apart from society and that society’s concerns. Obviously throughout the history of the arts aesthetic quality has been talked about as the major qualifier for discussing, collecting and acquiring art, but in the end, money, social standing and other concerns have always played their part in the real transactions of art. Only a cursory study of contracts between artists and patrons will reveal this. This, clearly, is why cultural historians are such a welcome presence in these debates. If only to point out that the notion that art should remain free of any social or financial worth, but be pure, authentic and original and only judged on its aesthetic worth, goes right back to 19th century art discourses. Thus this ‘moral panic’ about art prices is nothing new—and not even true, at that.


[1] De Balie, ‘Art, Capital & Avantgarde’: http://www.debalie.nl/agenda/programma/kunst,-kapitaal-%26-avant+garde/e_9491548/p_11647645/ (accessed 1-12-2014), my translation. 

[2] Read the introduction here: press.princeton.edu/chapters/i8035.pdf. 

Image credits: Steve Lambert, ‘Capitalism Works for me’ at Spaces Gallery, https://www.flickr.com/photos/spacesgallery/6173517984/in/photostream/ shared under creative commons

Art as cure

By Edwin van Meerkerk

image

With all the fuss about the creative industries and 21st-century skills, it seems to have escaped our attention that the real revolution In the arts is taking place elsewhere: in the world of healthcare. The arts have subtly, to some even unconsciously, changed their slogan. Arts are good for you: they make you happy and healthy, they stimulate your social life and keep you sober, help you overcome your fears and keep you focused. The arts are therapy. And all of this keeps the arts funded – which is more than just a side effect.

Art Therapy was at its peak in the seventies. Theatre groups, like the Dutch Werkteater, staged plays in hospitals and penitentiary institutions with the aim to reform both theatre and society. The belief in the transforming power of the arts seemed unlimited. The dream did not last and from the late 1980s onwards, quality and management became the new standards in the arts world. Recently, however, the tide has changed. This paradigm shift was heralded by philosopher Alain de Botton in his exhibition ‘Art is Therapy’ at the Rijksmuseum (April-September 2014) and the accompanying book Art as Therapy, co-written by art historian John Armstrong – note the difference (is/as) in the titles.

While de Botton is unable to escape the 1970’s Freudian frame of the arts as the expression of the unconscious, a growing number of arts organisations have re-discovered the arts as a hard core medicine, for instance in the treatment of Alzheimer’s disease, or in the treatment of autistic children. Starting from the development of community arts and the proof of the effects of music on intelligence in primary education, the arts are now embracing their effects on social, cognitive, as well as physical health as their principal proof of their relevance to society.

While cuts to art subsidies seem to threaten specialised disability arts organisations the ‘able’ arts organisations are more than anxious to enter the domain of (mental) health care in reaction to the same budget cuts. In a desperate leap forward, arts organisations are claiming the therapeutic effects of the arts (art as therapy), just to keep the money coming. In reality, healthcare is itself the treatment for art’s own disease: poverty. Meanwhile, arts organisations risk changing the very nature of the essence of the arts from distant critic of politics to practical tool for society (art is therapy).

Image credits: ‘Unlimited Traineeship’, Ian Johnston -Dancer, Unlimited Festival 2014. Photographer: Niall Walker. 

Kunst, kommer en commercie

Door Jan Baetens

image

‘Het museum onderhoudt geen conflicterende banden met de commerciële kunsthandel.’ Dat was een van de ‘vuistregels voor musea’ die Christiaan Braun, een Nederlandse kunstverzamelaar, kort geleden  in paginagrote advertenties liet afdrukken in Nederlandse kranten. Met die zelfgeschreven regels wilde Braun waarschuwen tegen de belangenvermenging die de museale sector volgens hem steeds meer ondermijnt. De rol van de sector zou met name vooral gehypothekeerd worden door allerhande commerciële belangen. Kunsthandelaars en galeristen, de goudgeile slippendragers van de geldgod mammon, hebben het daarbij vaak gedaan: hun private belangen hangen volgens Braun als een donkere schaduw over de publieke roeping van het museum als lichtgevend cultureel baken in de samenleving.

Nu is het lang niet zo nieuw om de commercie, en met name de kunsthandel, te bekritiseren. Anna Tilroe oreert al jaren tegen de perverse effecten van een al te machtige kunsthandel. Merkwaardig genoeg is een volstrekt ander geluid momenteel te horen in Parijs. Daar krijgt de negentiende-eeuwse kunsthandelaar Paul Durand-Ruel zowaar zijn eigen tentoonstelling in het Musée du Luxembourg. De tentoonstelling is een onvervalste hommage aan Durand-Ruel, een visionair met een roeping, volgens de curatoren, omdat hij de impressionisten ondersteunde in een tijd waarin niemand er pap van lustte ─ uitgerekend dezelfde impressionisten die nu als geen andere kunstenaars musea kunnen doen vollopen met bezoekers die er anders niet komen. Niet alleen Parijs krijgt de blockbuster-tentoonstelling overigens voorgeschoteld: daarna is Durand-Ruel ook te gast in de National Gallery in Londen en het Philadelphia Museum of Art.    

Je kan natuurlijk kanttekeningen plaatsen bij het heiligenleven dat de Durand-Ruel tentoonstelling vertelt over de handelaar. Maar dat de tentoonstelling er überhaupt is, plaatst ook het actuele debat in een ander licht. Uiteraard valt er iets te zeggen voor wat Braun of Tilroe roepen. Maar laat ons dat allemaal toch vooral met een historisch korreltje zout nemen. Je hoeft geen meters museumarchief door te nemen om te weten dat de handel in Durand-Ruels tijd minstens even sterk vervlochten was met het museale veld. En je hoeft geen stapels kunsttijdschriften uit de tijd door te bladeren om te zien dat ook toen al de commercie werd gecast in de klassieke rol van erfvijand van de kunsten. Dat weerhoudt grote musea van vandaag blijkbaar niet van een ode aan de kunsthandel van vroeger. Over honderd jaar misschien een tentoonstelling gewijd aan de steenrijke en oppermachtige hedendaagse kunstmogol Larry Gagosian en zijn galerie? Volgens mij zal het zo lang niet duren.

Image credits: 
Tentoonstelling Paul Durand-Ruel, le pari de l’Impressionisme, Parijs, Musée du Luxembourg, 9 oktober 2014 – 8 februari 2015. © Didier Plowy pour la RMN-Grand Palais, Paris 2014

Cybercouture: emotional jeans or a twittering sweater

By Anneke Smelik 

image

Wouldn’t it be great if you could generate electricity with your jacket? Or load your mobile in the pocket of your jeans? Or wear a sweater that can send a tweet?

‘Wearable technology’ is the new trend in fashion. To create ‘wearables’ (as they are called), fashion designers and scientists wire complex systems of microprocessors, motors, sensors, solar panels, (O)LEDs or interactive interfaces into the fabric, textile or clothes. Designers experiment with these ‘smart materials’ to create thrilling examples such as a dress that connects you to twitter, a catsuit that visualises your emotions, jeans that change colour or measure your vital functions. This is what I call ‘cybercouture’. Interestingly, Dutch artists and designers like Pauline Van Dongen, Iris Van Herpen, Bart Hess, Daan Roosegaarde, Marina Toeters, and Anouk Wipprecht form the vanguard in the international field of cybercouture. It may all sound like the far future, but it is actually already happening – that is, in the lab or on the catwalk. But wearables hardly appear on the streets or in the shops. While the future of wearable technology has been announced time and again, the praxis lags behind.

The question then is how can we get beyond the stage of mere gadgets and gimmicks. At the Radboud University Nijmegen, together with the Technical University of Eindhoven, and the fashion academy ArtEZ in Arnhem, and six private partners, we have started an interdisciplinary research project, Crafting Wearables, to advance wearable technology to the next stage. The research project is funded by The Netherlands Organization for Scientific Research and brings together people from fashion design, technology, industry, museums and universities. The goal is to develop ‘wearables’ that are robust, fashionable and commercially viable. A nerdy outfit may be technologically cool, but it should also make you look pretty, be easy to wash or comfortable to wear. Moreover, it should add something fundamental and functional to your full wardrobe and the many technological devices that you already own.

As the body of the wearer becomes some kind of interface, there are also some philosophical implications of cybercouture. We have now entered an age in which we use technology with the idea that we can control, improve and enhance both our lives and our own bodies. Technology is one of the major factors in affecting our identity and changing the relation to our own body, and wearable technology even more so because of its closeness to the body. By wearing it directly on our bodies we relate intimately to technical objects and materials, further blurring the boundaries between body and technology. Integrating technology into our clothes will therefore have an impact on how we experience our bodies and our selves. For example, will the t-shirt that monitors my blood pressure make me more aware – or even self-conscious – of my body? How will it affect my friendships if my dress reflects my emotions without me having to express them? It is certain that cybercouture offers an encounter between fashion and technology, opening up to a future world where garments are merged with human skin, body and identity. The research program Crafting Wearables allows the Department of Cultural Studies to explore how wearable technology creates a web of new, complex and dynamic relations between the human being and her body, technology, and society.

=> For information on the research programme, see: http://www.craftingwearables.com/

=> You can download Anneke Smelik’s chapter ‘Draagbare technologie: cybercouture en technomode’ from the book Ik cyborg (in Dutch): http://www.wearable.nl/e-fashion/gratis-download-hoofdstuk-over-wearable-technology-uit-ik-cyborg/

Image credits: Kate Perry CuteCircuit Catsuit for E.T. Live at the American Idol 2011 . Photos by katy-perry.net via: http://cutecircuit.com/media/