Prorail en de kunsten

Door Edwin van Meerkerk

image

De inkt van het vierjaarlijkse advies van de Raad voor
cultuur over de landelijke subsidies aan kunstinstellingen is nog nauwelijks
droog of de krantenberichten over de winnaars en verliezers buitelen over
elkaar heen. Tranen vloeien dit keer rijkelijk bij het Orkest van het Oosten,
bij De Appel en Het Nieuwe Instituut. Gejuich gaat op bij verliezers van
eerdere jaren die door de Raad ‘gered’ worden: Kwatta, het Metropoleorkest. Het
belangrijkste nieuws van dit advies blijft echter onderbelicht: de kritiek die
de Raad uit op het systeem van de Basisinfrastructuur. Daarin zit de angel van
dit advies.

Wat zegt de Raad hierover? De basisinfrastructuur, ingevoerd
in 2008, is ‘geen afspiegeling [meer]
van het voorzieningenniveau dat Nederland in de breedte nodig heeft.’ Om
in de metafoor van het bestel te blijven: de rails liggen op de verkeerde
plaats, en de treinen rijden niet meer op tijd. Dat het dringend noodzakelijk
is dat het stelsel wordt herzien werd in december al duidelijk, bij de nieuwe Erfgoedwet, die een
kerntaak van de Rijksmusea onttrok aan de vierjarige cyclus van de cultuurnota.
Dat roept op zijn minst de vraag op hoe dat zit met andere onderdelen van het
cultuurbestel.

De lakmoesproef voor een herziening van de culturele
basisinfrastructuur is de plaats van de landelijke ondersteunende instellingen.
In feite zijn zij de schakelpunten in de infrastructuur, het Prorail van de
kunsten, waar de producerende instellingen zorgen voor de treinen: de inhoud.
Waar je, naar analogie van het spoor, wel met enige regelmaat de dienstregeling
wil herzien en wil bekijken welke treinen vol zitten en welke niet, moeten
rails en stations langdurig op orde zijn. Dat vergt onderhoud, maar hun bestaan
zelf staat niet ter discussie. Zoals erfgoed in de nieuwe wet tot een
ministeriële verantwoordelijkheid wordt gemaakt die voor onbepaalde tijd aan
een instelling kan worden gedelegeerd, zo zou dat ook moeten gelden voor de
ondersteuningsstructuur van de culturele sector.

Na de kaalslag die ook op dit gebied vijf jaar geleden
begon, zijn er nog vijf ondersteuningsinstellingen die een aanvraag voor de
Basisinfastructuur hebben gedaan: Het Nieuwe Instituut, Digitaal Erfgoed
Nederland, de Boekmanstichting, Dutch Culture en het LKCA. Ook EYE heeft
verwante taken, en het is de vraag of een instelling als Cultuur+Ondernemen
niet in dit rijtje thuishoort. De disciplinaire kennisinstituten zijn
verdwenen, zoals de kunstdisciplines ook in de cultuurnota niet meer leidend
zijn. Bestond die vroeger uit hoofdstukken per discipline, nu legt de minister
de nadruk op sectoroverstijgende elementen: onderwijs, talentontwikkeling,
creatieve industrie, digitalisering, dialoog met de samenleving, bestel en
maatschappelijke meerwaarde. Het zou voor de hand liggen dat deze indeling
terug te zien is in de taakstelling van de ondersteunende instellingen.

Kortom, een toekomstbestendige basisinfrastructuur heeft een
kern van instituten die de uitvoerende, vierjarig gesubsidieerde instellingen
ondersteunen met kennis, advies en inzicht op de genoemde thema’s. De basis
daarvoor is er al: het LKCA voor onderwijs en talentontwikkeling, HNI voor de
creatieve industrie, DEN voor digitalisering, Boekman voor bestel en
maatschappelijke meerwaarde. Ook ondernemerschap (C+O) en internationalisering
(Dutch Culture) lijken onderwerpen die van belang zijn. Uit het advies blijkt
ook dat dit thema’s zijn die door afzonderlijke culturele instellingen niet
voldoende kunnen worden ingevuld. Zo verwijt de Raad de musea ondanks grote
inspanningen op het terrein van de educatie nog altijd gericht te zijn op de
eigen collectie en het eigen aanbod. Voor afstemming, doelgroepenbeleid en het
verwerken van actuele inzichten uit (wetenschappelijk) onderzoek is de bijdrage
van een kennisinstituut hierbij onmisbaar. Thema’s die vragen om onafhankelijke
spelers die kunnen bouwen aan een nationaal en internationaal netwerk, die
kennis kunnen opbouwen, delen en uitwisselen en zo de sector en de overheid
helpen bij het maken van onderbouwde keuzes voor de toekomst. En dat is een
taak die, zo maakt de vergelijking met de wereld van het spoor wel duidelijk,
beter een taak van de overheid is dan één die aan een marktpartij wordt
overgelaten.

Beeld via: https://i.ytimg.com/vi/9luu0dU27Hg/maxresdefault.jpg 

Punk staat in brand

Door Helleke van den Braber

image

Dit jaar
wordt in Londen veertig jaar punk gevierd. Niet zozeer met
wilde en ontregelende feestjes in groezelige zaaltjes, maar vooral met bedaagde
exposities in verstilde bibliotheken.
Zelfs de Britse koningin omarmt inmiddels de tegencultuur en heeft de Sex
Pistols hun legendarische God save the queen (and her fascist regime) kennelijk
vergeven.

Maar in Londen
slaat punk inmiddels terug. Hoe? Niet door alsnog over te schakelen op wilde en
ontregelende feestjes, maar door het punkerfgoed te verbranden. Joe Corré, zoon
van Sex Pistols-manager Malcolm McLaren en punkontwerpster Vivienne Westwood,
heeft besloten zijn collectie punkmemorabilia ter waarde van vijf miljoen pond in
vlammen
te laten opgaan. Dit als anticommercieel gebaar en daad van verzet
tegen het tot erfgoed maken van een beweging die zich juist altijd verzette
tegen het idee van officiële cultuur.
Of, in de woorden van Corré: “The Queen giving 2016, the year of punk,
her official blessing is the most frightening thing I’ve ever heard. Talk about
alternative and punk culture being appropriated by the mainstream. Rather than
a movement for change, punk has become like a fucking museum piece or a tribute
act.”  De punkverbranding zal
plaatsvinden op 26 november 2016, de dag waarop het veertig jaar geleden is dat
Anarchy in de UK uitkwam.

Ook in Nederland wordt trouwens uitgebreid
stilgestaan bij veertig jaar punk: onder de tot de verbeelding sprekende titel FURY! Punk culture vertoont filmmuseum Eye in Amsterdam
vanaf 26 mei films en documentaires, het Van Abbe belicht de tegencultuur in al
haar gedaantes in de expositie De jaren Tachtig. Begin van het nu? en poppodium Vera in Groningen eert
deze maand de legendarisch tegendraadse illustrator Peter Pontiac. In ons land blijven openbare
verbrandingen en andere protesten tegen de musealisering van de tegencultuur vooralsnog
uit.

Beeld via: http://www.ru.nl/acw/actueel-0/oogopener/punk-burning/ 

Your favourite cultural policy

Door Edwin van Meerkerk

Zou staatssecretaris Sander Dekker een eigen
playlist hebben? De veertigjarige bewindsman is er hip genoeg voor. Als hij
gaat hardlopen kan hij sinds kort ook kiezen voor de Sky Radio Running Hits, een gestreamde playlist van up-tempo
popliedjes
.
De non-stop muziekzender richt zich tegenwoordig vooral op dit marktsegment.
Afficheerde Sky zich vroeger als ‘your favorite music station’, nu is het ‘your
favorite playlist’, met een on-line keuze uit negen muzikale smaken. De
concurrentie komt niet langer van andere zenders, maar van Spotify. Deze
ontwikkeling is onderdeel van een grotere verschuiving in het medialandschap,
waarin de relatie tussen de muziekproducent, de distributeurs (waaronder
radiozenders) en de consument fundamentele wijzigingen ondergaat. Ook in zijn
functie als staatssecretaris van OCW komt Dekker hiermee in aanraking,
bijvoorbeeld bij de goedkeuring van zijn nieuwe Mediawet door de Eerste kamer
op 15 maart.

Wat is er aan de hand? Het aanbod aan cultuur,
vooral in het domein van de media, is door de introductie van snel mobiel
internet sterk veranderd. De distributiesystemen stonden sinds de opkomst van
het internet al onder druk, maar de voortdurende beschikbaarheid van beeld en
geluid via het 4G-netwerk heeft voor een verdere gedaanteverandering gezorgd.
Waar het mediabeleid van de overheid er in het verleden op gericht was het
aanbod te reguleren, door het toekennen van zendfrequenties en het afgeven van
uitzendlicenties, maakt streaming de
toegang vrijwel onbeperkt, voor zowel aanbieders als consumenten. Daarmee wordt
een kerntaak van de overheid direct geraakt: het zorgdragen voor spreiding van
cultureel aanbod.

Mediabeleid is als onderdeel van het
cultuurbeleid vaak minder zichtbaar, behalve bij het periodiek verdelen van
zendtijd over de omroepen of wanneer de discussie over het omroepbestel weer
eens wordt aangezwengeld, zoals staatssecretaris Dekker de afgelopen periode
heeft geprobeerd te doen. Het was niet voor niets dat Dekker hiertoe het
initiatief nam. Zoals gezegd is het medialandschap fundamenteel gewijzigd sinds
de rijksoverheid zichzelf in de Wet op het specifiek cultuurbeleid tot taak
stelde voorwaarden te scheppen ‘voor
het in stand houden, ontwikkelen, sociaal en geografisch spreiden of anderszins
verbreiden van cultuuruitingen; hij laat zich daarbij leiden door overwegingen
van kwaliteit en verscheidenheid.’ Maar wat als die voorwaarden vanzelf
ontstaan? Wat als de spreiding door het 4G-netwerk gedekt wordt?

In de
mediawet staan dezelfde taken als in de Wet op het specifiek cultuurbeleid:
verscheidenheid, spreiding, kwaliteit en educatie. Nu technologische ontwikkelingen
zoals het mobiele internet de grootst mogelijke spreiding en een oneindige
diversiteit mogelijk maakt, is de vraag wat de taak van de overheid nog is. Het
is geen toeval dat de enige thema’s waarvoor het 4G-netwerk geen garantie kan
bieden, kwaliteit en educatie, de laatste jaren sterk aan belang hebben
gewonnen in het cultuurbeleid. Het nieuwe mediabeleid kan dienen als
lakmoesproef voor de toekomstige ontwikkelingen in de rest van het
cultuurbeleid: de kunsten en het erfgoed.

Nemen we
de recente discussie over de Mediawet als voorbeeld dan is te voorspellen dat
in het cultuurbeleid in bredere zin de toegankelijkheid aan belang zal
verliezen, dat de inhoudelijke eisen van de (rijks-)overheid explicieter worden
– getuige de herhaalde uitspraken van staatssecretaris Dekker over concrete
programma’s – ten koste van inzet van de overheid op de infrastructuur. Op
diverse plekken elders in de culturele sector zijn al pogingen te zien van
overheden om zich uit de voorzieningensfeer terug te trekken en de
cultuurbudgetten voor inhoudelijke doelen in te zetten. Zet die ontwikkeling
zich door, dan is een toekomst denkbaar van gesubsidieerde festivals en
tentoonstellingen die hun plek moeten vinden in een door de markt gestuurde
infrastructuur van gebouwen.

Een
tweede kenmerk van het debat over de Mediawet laat juist een tegenkracht zien.
De lobby van de omroeporganisaties, erfgenamen van een bestel dat al een halve
eeuw aan het instorten is, bleek bijzonder sterk te zijn. Zo sterk, dat van
Dekkers oorspronkelijke hervormingsplannen maar weinig over bleef. Ook deze
ontwikkeling sluit aan bij een beweging in het cultuurbestel waarin de grote,
traditionele instellingen zich met succes buiten de cultuurplancyclus
manoevreren. De instelling van een basisinfrastructuur op landelijk en lokaal
niveau is er daar een van, de Erfgoedwet, die voor de Rijksmusea een grotere
toekomstgarantie biedt, is een tweede.

Kortom, wie de toekomstige ontwikkelingen in
de cultuursector op de voet wil volgen, moet op zoek gaan naar het ‘4G-netwerk’
in de kunsten en opletten wie zich daar als eerste omvormt van ‘radiozender’
naar ‘playlist’. En naar welke instellingen zich, als waren zij verzuilde
omroepen, door politieke lobby veilig weten te stellen in het oude stelsel.

‘De muziek kent geen grenzen’? Musici en hun instrumenten wel

Door Rutger Helmers

Het is
moeilijk te overschatten hoe belangrijk mobiliteit voor ons culturele leven is.
Voor mij leed dat sowieso geen twijfel: ik doe immers onderzoek naar reizen in
het muziekleven in de negentiende eeuw, en geef op dit moment een mastercursus
over muziek en mobiliteit in Amsterdam. Maar de boodschap wordt er nog eens
extra ingewreven nu ik met fikse pijn in mijn rug een paar dagen thuis aan bed en
bank gekluisterd ben.

image

Dan bereikt
mij een bericht van de FIM, de internationale bond voor musici, die een petitie bij de Europese Raad
wil indienen. Zij eisen betere regelgeving voor luchtvaartmaatschappijen, die
het vervoer van muziekinstrumenten nu niet altijd even gemakkelijk maken
(probeer je maar eens voor te stellen dat er een Stradivarius of Fender
Stratocaster bij je handbagage zit). Ze hebben niemand minder dan Katie Melua
gestrikt om als gezicht van de actie op te treden. Toch zou het nog wel eens
lastig lobbyen kunnen zijn in een periode waarin Europese Unie vooral met het sluiten
van grenzen gepreoccupeerd lijkt.

Mobiliteit
lijkt zo’n vanzelfsprekend verschijnsel in ons muziekleven. In het Nijmeegse
Doornroosje, bijvoorbeeld, is het de normaalste zaak van de wereld om Amerikaanse,
Britse, Duitse of Belgische acts te zien, en Nederlandse artiesten profileren
zich in eigen land maar al te graag met hun internationale ervaring. Hoewel
veel muziek nu via iTunes, Spotify of YouTube met één druk op de knop
beschikbaar is, blijft live-muziek een grote aantrekkingskracht op het publiek
uitoefenen, en is toeren voor veel artiesten en bands van levensbelang.

De internationale
circulatie van musici is van alle tijden. Ook voor er vliegtuigen, bussen of zelfs
maar stoomtreinen waren, reisden musici over enorme afstanden. In zijn korte
leven doorkruiste Wolfgang Amadeus Mozart per koets een flink deel van het
Europese continent – en niet voor niets worden zijn reizen nu door de Europese Unie gebruikt om het
gevoel van gemeenschappelijke geschiedenis en cultuur te versterken. Johann
Sebastian Bach legde in 1705 maar liefst 400 km te voet af, van Arnstadt naar
Lübeck, wat overigens begrijpelijker wordt zodra je weet dat reizen met de koets
in de vroege achttiende eeuw wel flink duurder, maar nauwelijks sneller was.
Reizen was altijd een onaangename en hachelijke onderneming, maar dat hield
schijnbaar niemand tegen. In de negentiende eeuw vind je meer dan genoeg zangers
en instrumentalisten die besluiten op hun tours ook even Mexico, Turkije of
Indonesië aan te doen, en daarbij komen onwaarschijnlijke verhalen van virtuozen
die besloten hun Stradivarius-cello door Siberië of drie à vier Erard-vleugels door
de Verenigde Staten mee te slepen.

Je zou
denken dat dergelijke ondernemingen tegenwoordig nauwelijks meer een uitdaging
vormen. En inderdaad, het vervoer gaat een stuk soepeler en sneller, maar nog
altijd stuiten reizende musici zo nu en dan op problemen. Ik heb zelf
meegemaakt hoe een strijkkwartet dat in 2010 op een conferentie
in Leeds zou spelen, niet kwam opdagen. De Amerikaanse celliste bleek door de
douane geweigerd: hoewel ze een onbetaald optreden voor de universiteit zou
geven, had de douanier op basis van haar instrument geconcludeerd dat ze voor
‘werk’ was gekomen en dus niet het juiste visum had. De andere leden van het
kwartet waren overigens zonder problemen doorgelaten – waarschijnlijk omdat hun
instrumenten iets kleiner waren en dus niemand waren opgevallen.

En waar
sommige onbetaalde musici geweigerd worden omdat de douane verwacht dat ze iets
gaan verdienen, lopen anderen tegen de verdenking op dat dit juist te weinig
zal zijn. De succesvolle Senegalese hiphopformatie Daara J Family zou in hetzelfde jaar hun
nieuwste album in Engeland promoten met een concert in Londen en een optreden
voor BBC Radio 4, maar mochten het Verenigd Koninkrijk niet in: zij hadden niet
aan alle formaliteiten voldaan om aan te tonen dat zij in Engeland in hun
levensonderhoud konden voorzien. Ethiopische gitarist, bassist
en producer Nick Page klaagde dat op deze manier de wereldmuziek-scene ‘straks
alleen nog uit muzikanten met een EU-paspoort bestaat.’

Hetzelfde probleem bestaat echter ook voor de
minder bedeelde burgers van rijke landen. Onlangs werd er nog gesignaleerd hoe
duur en lastig het was voor beginnende bandjes uit Canada om concerten in de Verenigde
Staten te kunnen geven (zonder als ‘toerist’ hun instrumenten het land in te
smokkelen), waarbij ook Amerika’s noorderburen zich lichtelijk zorgen lijken te
maken over de opmars van Donald Trump.

En dan
blijkt naast al deze visumellende (en ik probeer maar even niet te bedenken hoe
moeilijk het op dit moment voor Syrische musici zal zijn) dat het transport van
instrumenten van mensen mét de juiste papieren ook al problemen oplevert. Ik
teken die petitie maar. Zodra ik mijn bed weer uit kan, hoop ik wel dat er nog
een beetje goede concerten in de buurt zijn.

Een hakenkruis in een kinderkamer

Door Tom Sintobin

image

Mijn jongste
dochter besloot dat ze het gebroken wit in ons huis meer dan beu was: die
ouderwetse kleur past niet bij haar vijfjarige wereldbeeld. Haar jurisdictie
strekt zich slechts over een ruimte van 4 op 3 meter uit, maar die moest er dus
aan geloven – en wel meteen. In de Kerstvakantie heeft papa immers toch niets
beters te doen. De klus werd een stuk arbeidsintensiever dan ik gedacht had.
Toen we namelijk gezamenlijk de knalblauwe verf op het sobere behangpapier
smeerden, begon dat los te komen. Er bleek onder de eerste laag papier op
sommige plekken nog een tweede te zitten: blauw met bloemetjes (‘Wat mooi,
papa!’, kirde de kleine bevelhebber, ‘dat had ik moeten kiezen!’) Beide lagen
moesten integraal verwijderd worden vooraleer de muur geverfd kon worden – een
volstrekt vervelende rotklus, zoals iedereen kan beamen die er zich ooit mee
ledig hield. En toen werd het plots interessant. Onder de laatste laag trof ik
een tekening op de muur. Een teken, eigenlijk: een rune – aangebracht in lijm.
Het huis dateert uit 1960 en staat in een klein dorpje in Duitsland, nabij het
Reichswald (Slag om het Reichswald: 8 februari – 11 maart 1945), het teken was
een hakenkruis.

image

Mijn
dochtertje slaapt dus al vijf jaar met een hakenkruis naast haar hoofd. Ik trof
geen woedende, baldadige veelheid aan swastika’s: het was er slechts ééntje,
maar dat maakte het nu net zo dreigend, zo berekend. Als het er een heleboel
zouden zijn geweest, dan waren het graffiti, neergekrabbeld in een boze bui
door iemand – een behangersjongen? Een behangersleerling? – die wou rebelleren
tegen alles, en daarvoor die tekens gebruikte waarvan hij wist dat het
establishment – de opdrachtgever? Zijn baas? – ze verafschuwde. Een heleboel,
daarmee had ik kunnen leven: dat betekende iets anders. Maar eentje… Dat is
koud en weloverwogen. Dat is gemeend. In één klap werd haar slaapkamertje een
soort van lieu de mémoire.

Wanneer zijn
oorlogen over? Wanneer de oorlog nooit meer vernoemd wordt in kranten of in de
retoriek van politici, er niemand meer begint te huilen als hij of zij eraan
denkt? Wanneer de laatste kleinzoon of -dochter van de laatste directe
betrokkene overleden is en de verhalen-van-opa-of-oma met zich meeneemt in het
graf? Wanneer niemand zich nog herinnert wat er destijds gebeurde, wanneer er
zelfs geen belletje meer gaat rinkelen als de ermee geassocieerde jaartallen
vallen of wanneer de symbolen ervan ergens opduiken (mijn dochter had nooit
eerder een swastika gezien)? Wanneer er ‘diepgaande studiën’ beginnen te
verschijnen in de plaats van getuigenissen? Wanneer er geen grappen meer over
worden gemaakt op café, genre: ‘Vraag eens aan je Duitse buurman wanneer ze
mijn opa’s fiets gaan terugbrengen?’

De Belgische
auteur Louis Paul Boon schreef ooit ergens dat de Tweede Wereldoorlog pas echt
voorbij zou zijn als mensen hun kinderen weer gewoon ‘Adolf’ of ‘Dolf’ zouden
beginnen noemen, zonder daar iets anders bij te denken dan ‘dat is leuk voor
opa’, of: ‘Tweestammige Germaanse naam die ongeveer “edele wolf” betekent’ (http://www.meertens.knaw.nl/nvb/naam/is/Adolf). In Nederland, zo blijkt uit deze
zelfde website, bleef de naam onverwacht populair tot diep in de twintigste
eeuw – als Boon gelijk heeft, dan is de oorlog hier nog niet eens begonnen.

Ik heb het
hakenkruis met knalblauwe verf overschilderd. De lijm waarmee het was
neergetekend, had een kleur die nog het beste omschreven kan worden als
‘gebroken wit’. Nu zijn er geen gebroken dingen meer in mijn meisje haar kamer.
Is de oorlog nu weer een beetje meer voorbij? Of blijft hij daar zitten,
geverfd maar niet verslagen, onbeweeglijk en onzichtbaar, voor eeuwig op de
muur van een kinderkamer?

Black Friday

Door Liedeke Plate

image

Wie eind vorig jaar de stad in ging, werd
geconfronteerd met een merkwaardig verschijnsel. Op vele winkelruiten werden
kortingen aangekondigd onder de noemer Black Friday Sale.

Black Friday is een Amerikaans begrip. Het
verwijst naar de vrijdag na Thanksgiving Day, een van de weinige vrije feestdagen in de VS.
Nadat ze op de vierde donderdag van november Thanksgiving thuis met vrienden
en/of familie hebben gevierd, traditioneel met kalkoen, cranberrysaus en football, gaan Amerikanen, het
salaris op zak, op vrijdag hun kerstinkopen doen. Black Friday verwijst in
eerste instantie naar de drukte in en rond de winkelcentra. Omdat winkeliers
blij zijn met de omzet, zijn ze met Black Friday gaan adverteren. In de V.S. wordt
Black Friday inmiddels beschouwd als het begin van het kerstaankoopseizoen. Speciale
aanbiedingen moeten de mensen naar de winkels lokken, evenals beperkt voorradige artikelen en steeds
vroegere openingstijden.

In Nederland wordt Thanksgiving nagenoeg niet
gevierd. Op de Pieterskerk in
Leiden na: die houdt jaarlijks een Thanksgiving ceremonie ter herdenking van de
Pilgrims, die  na hun twaalfjarig
verblijf in Leiden de oversteek naar de nieuwe wereld maakte, en hun eerste
oogstviering.

Des te opmerkelijker dat Black Friday eind
november 2015 het Nederlandse straatbeeld domineert. Zonder enige verwijzing
naar de geschiedenis, en zonder andere rede dan nog meer aandacht willen
trekken voor aanbiedingen, wordt het Amerikaanse gebruik aangegrepen om het
winkelend publiek de winkels in te lokken. Dat winkelend publiek is dan al op
de been: in Nederland begint het winkelseizoen immers op het moment dat
Sinterklaas in het land is.

Het vanuit commercieel oogpunt versterkende
effect van Black Friday krijgt zo nieuwe betekenis. Het kan alleen maar
ironisch genoemd worden dat op het moment dat het traditionele Sinterklaasfeest
onder druk staat vanwege zwarte piet, de
winkels het Amerikaanse begrip Black Friday aangrijpen om meer omzet te maken. De
vrijdag na Thanksgiving zwart noemen is niet alleen zeggen dat het een drukke
dag is; het benoemt de dag als calamiteus – en zo werd die term ook historisch
gebruikt: in de jaren 1950 werd de uitdrukking Black Friday door de politie in
Philadelphia gebruikt om de verkeersdrukte behorend bij dit begin van het
winkelseizoen aan te duiden.

Voor het Nederlands winkelend publiek op zoek
naar Sinterklaascadeautjes, ontstaat er onbewust een verband tussen zwarte piet
en zwarte vrijdag,
zoals de actie steeds vaker wordt genoemd. Een verband dat ontstaat in de
praktijk van het winkelen, maar dat nog eens wordt versterkt door de culturele
herinnering aan de zwarte Vrijdag uit de literatuurgeschiedenis: de slaaf van
Robinson Crusoe uit de gelijknamige roman.

The Day of the Cat Tweets

By Puck Wildschut

image

Imagine that about 90% of the world’s human population loses their
eyesight due to a meteorite shower, and that the other 10% has to deal with the
following ethical dilemma: Do we help the vast, visually disabled majority to
survive for a short time, or do we put ourselves first and try to rebuild the
world only with those who can still see? This is the hard choice Bill and
Josella face in John Wyndham’s classic sci-fi novel The Day of the Triffids (1951), soon after catastrophe has hit the
earth. Although Josella doesn’t need that
much convincing to take the apparently a-moral road to survival, she feels that
it isn’t the proper thing to do and tells Bill so: Josella “dug her fingers
into the earth, and let the soil trickle out of her hand. ‘I suppose you’re
right,’ she said. ‘But you’re right when you say I don’t like it.’” And in
comes Bill: “‘Our likes and dislikes as decisive factors have now pretty well disappeared,’
I suggested.” (Penguin Edition, 2000: p.85)

Now imagine that in 2015 the entire western world is in shock over a
terrorist attack in Paris, where 130 people get shot in cold blood, and the
effects of which are clearly felt in people’s daily lives: bands cancel their
shows in Europe out of fear for new attacks, the city of Brussels is nearly
inactive for four days, and people are advised to be ‘extra alert’ when in
crowded places. Of course, you don’t need to imagine that, since sadly this is
no plot out of a suspense novel, but precisely what occurred in the last few
weeks.

With these impactful events still fresh in our minds, all of us who
live in the west, who consider ourselves to be ‘free’ individuals in a part of
the world in which free speech is deemed king, have been prompted to reflect on
our own ‘survival’. We may not be facing the aftermath of planetary apocalypse,
like Bill and Josella in Wyndham’s novel, but we are faced with issues
concerning the survival of our selfhood, of keeping our own identities intact following
an attempt to destruct our ideological habitat. And, in contrast to Bill’s
suggestion when facing his ethical dilemma, our likes and dislikes have
actually become the decisive factors
in our reaction to the current state of affairs.

Who hasn’t liked or shared the facebook post on police dog Diesel who
was killed during a raid on an apartment of a suspected terrorist? Who didn’t
like one of the hundreds, if not thousands, of posts asking users to ‘like this
post if you stand behind France’? There was a lot I myself personally ‘liked’
and shared following the Paris attacks, and it gave me a sense of hope that so
many other people came to a virtual stand condoning the senseless violence.
However, with the possibility to like comes that to dislike: a great number of
people use the attacks as a convenient stepping stone for spreading hate, fear,
and more violence. Since facebook has yet to implement a ‘dislike’ button (will
they ever?), harsh words are spoken in its stead and offer another,
inconclusively a-moral way to our metaphorical survival after a high impact
event in the western world.

The question remains then how to negotiate the outspoken and often
polarized discourse within that highly populated social media universe. Engage
in its discussions? Ignore those parts of it that you don’t like? Well, for now
I’ll let the Belgians have the final word …ehhm… meow in this matter.
#BrusselsLockdown

Source: https://uk.news.yahoo.com/belgians-flood-twitter-cat-pics-101133243.html?.tsrc=warhol#UcaVkkN

Naar verluidt…

Door Tom Sintobin

“There is nothing more deadly
than slow growing fear”

Ik weet nog precies waar ik was op 11 september 2001:
in het Vliegend Varken. Het internet op de faculteit was vastgelopen – zoals
zo’n beetje overal in de wereld – zodat ik met twee collega’s naar dit Leuvense
café was gerend om meer te weten te komen over de terreuraanslagen waar de
Verenigde Staten onder te lijden had. Zoals de meeste mensen zijn de beelden
voor altijd in mijn geheugen gegrift. Ik herinner me nog iets anders: de totale
ontsporing van sommige media. Op een bepaald ogenblik werd zelfs beweerd dat er
alles bijeen 17 vliegtuigen verdwenen waren. Minstens. Geen twijfel mogelijk, ‘want
dat hebben we uit goede bron. Het konden er echter ook meer zijn. Naar verluidt.’

Die ontraceerbare sprekende spoken zijn de laatste dagen weer in volle
glorie opgedoken. De Belgische krant De Morgen post op 18 november 2015
om 17:50 op haar Live Blog dat ‘De
Belg Abdelhamid Abaaoud,
het vermoedelijke brein achter de aanslagen in Parijs, zou zijn omgekomen
tijdens de politieactie in de Parijse voorstad Saint-Denis vanmorgen. Dat
schrijft een journalist van Politico op Twitter, op basis van een
“hooggeplaatste Belgische bron die betrokken is bij het onderzoek”.’
Geen uur later, om 18:44, luidt de boodschap dat het zogenaamde ‘brein’
achter de aanslagen ‘zeer waarschijnlijk overleden’ is: ‘Dat vernam onze redactie
uit goede bron, en werd eerder ook al gemeld door een journaliste van online
nieuwsmedium Politico en VTM Nieuws.’ Ze hadden
ook naar Washington Post kunnen
verwijzen, want die verklapte al uren eerder dat ’French police commandos killed the suspected
ringleader of the Paris attacks in a massive predawn raid Wednesday, two senior
European intelligence officials said’. Om 19 uur komt de procureur des Konings François Molins met vreemd nieuws tijdens
zijn persconferentie: hij kan niet bevestigen dat het brein
gestorven is, want de lichamen van de doden zijn onherkenbaar verminkt. Verder
onderzoek is nodig om het met zekerheid te weten.

De avond ervoor werd het geachte aan het internet gekluisterde publiek ook
al helemaal gratis getracteerd op een bloedstollende  thriller. In het voetbalstadium in Hannover
werd ‘een verdacht pakket’ gevonden. ‘Nee, een hele ziekenwagen was het,
tjokvol met springstof! ’ Of nee, bij nader inzien was er ‘toch niets te zien’.
Ik weet niet hoe dat bij u zit, maar van dit soort verslaggeving word ik
nerveus. Bang zelfs. Ik denk nog regelmatig aan die vermiste vliegtuigen. Tot
op de dag van vandaag zijn ze niet terecht – ze zullen vast op mijn hoofd
vallen als ik het het minste verwacht. IS wacht geduldig het juiste, het
apocalyptische moment af om het vliegtuigen te laten regenen.

Ik sta versteld van het totale gebrek aan eergevoel en zelfbeheersing in zoveel
digitale media. Je hebt geen cultuurfilosoof nodig om te begrijpen waar al dat
gespeculeer-voor-de-eer-om-toch-maar-mooi-de-eerste-te-zijn toe leidt. Zelfs de bekende denker Maxi Jazz zong het al: ’Whether
you’re Soaraway Sun or BBC 1/Misinformation is a weapon of mass destruction. ’

Het Vliegend Varken bestaat niet meer. Jammer, want anders had ik de baas
kunnen vragen of hij ‘Fade Out Lines’ nog een keer
zou willen draaien, de door The Avener herwerkte song van Phoebe Killdeer &
The Short Straws. Uiteraard met de juiste, Parijse, videoclip erbij:
https://www.youtube.com/watch?v=hqwU7nv3hTM  Dan kon ik die 13 andere vliegtuigen
misschien voor even vergeten.

Now trending: the transgender model

By Lianne
Toussaint

The May 2015 issue of US Vogue
(Vol. 222) featured the first transgender model in the history (132 years!) of
its existence: Andreja Pejic. That same month, IMG Models – one of the biggest
modelling agencies worldwide – announced transgender actress, writer and model Hari Nef as the
newest addition to its roll. Two months later, H&M sister brand ‘&
Other Stories’ followed the example of brands like Barneys and Make Up For Ever by launching an advertising campaign featuring transgender models Valentijn De Hingh and Hari Nef. And last week, it
was all over the news when Dutch model Loiza Lamers was crowned the first-ever transgender winner of the ‘Next Top Model’ television franchise. Has the fashion industry
suddenly become all trans-friendly?

image

Although the vocabulary used to describe this trend may fool you into believing
otherwise, the presence of transgender models in fashion imagery is not exactly as new as it seems. In the 1960s, after going through the horrors of
bullying, assault, failed suicide attempts, and (electric, drug, hormone)
treatment in a mental institution, April Ashley worked as a professional model in Britain until the
news about her gender confirmation surgery soon made an end to her professional career. In 1991,
the British model Caroline “Tula” Cossey became famous as the first trans women to pose for Playboy.

It may not be
an entirely new phenomenon, but in many ways the recent rise and success of the
transgender model does seem groundbreaking. The increasing visibility of trans
models such as Valentijn De Hingh, Lea T, and Andreja Pejic on the runway, and
in print and media seems to contribute to – or at least coincide with – a broader, cultural and political mainstreaming of
transgender identity
. As there are
but few role models and spokespersons for the transgender community, their
visibility is literally of vital importance in raising awareness and advancing tolerance.

Unfortunately,
the current ‘trans model trend’ also has its downside. Many of the captions,
press releases, interviews, and statements appearing alongside all the
seemingly trans-friendly fashion imagery testify to a less trans-tolerant
climate, to say the least. LGBT (!) news site The Advocate, for example, blatantly notes that the ‘& Other
Stories’ campaign shows “that trans people are beautiful, too”, while Elle headed
that Pejic modelled for a beauty brand “And looks gorgeous doing it”.

As much as I
would love to believe that the recent success of the transgender model is the
definite harbinger of a more gender-diverse fashion industry, I can’t help but
notice the accompanying, stigmatizing discourse of the transgender model as an
‘object of curiosity’. Like Pejic, I nonetheless hope that the trans model trend will
turn out to be much more than just another case of cynical casting, clever
marketing, or fashion tokenism.  

– Lianne
Toussaint is a PhD candidate at the Department of Cultural Studies of the
Radboud University in Nijmegen. Her research is part of collaborative
NWO-funded project ‘Crafting Wearables’.

– IMAGE: Andreja
Pejic for Dossier, Issue 7, Spring
2011. Photography by Collier Schorr, Styling by James Valeri, Hair by Holly Smith,
Makeup by Ozzy Salvatierra, Shirts and Pants by Haider Ackermann: https://www.flickr.com/photos/nielleborges/6196657940/in/photostream/

By Timotheus Vermeulen

I enjoy the Indiana Jones franchise as much as the next
person. I mean, I grew up watching Indiana Jones films. As a ten year old, Indy
used to be my role model – topped only, perhaps, by Leslie Nielsen (you know, the guy of Naked Gun fame). However, as Anna
Kendrick’s recent spoof has made clear, the films aren’t what you’d call
progressive – and that’s putting it mildly, I’m afraid. 

The franchise’s attitude to,
well, everyone who is not a white, male, heterosexual American, I guess, is at
best unfortunate, but probably just offensive – I’m not speaking about Indiana
Jones’s attitude towards the Nazis, here, obviously; exploding heads and
melting faces is what they had coming for a long time. If the films value Arabs (often of
unspecified origin), Chinese, Indians or women at all – which they rarely do,
since they are mostly portrayed to be too busy sneaking around, poisoning
people, eating gigantic beetles, monkey brains and eyeball soup, or being
hysterical  – it is as the white man’s lesser
versions: less brave, less clever, less civilized, less strong. Indeed, the
franchise’s entire premise is that Jones saves these crippled creatures, from their
enemies as much as from themselves. 

Of the bunch, Temple of Doom is certainly the most cringeworthy, but Raiders of the Lost Ark is not without
its moments of embarrassment either: the one assertive woman, yes, the single
female with agency, reads like Death of a
Salesman
; all her endeavors end miserably, the spirits lifted only by the
arrival of … well you can guess…. It’s called Indiana Jones, not Jane. 

It may be obvious that my ‘enjoyment’ of
Indiana Jones is troubled, to say the least. It relies on nostalgia, though one
that is waning; on an appreciation of how its well structured, suspenseful
narratives made me feel way back when, increasingly marred by what its representations make
me endure today. My aim here is not to take away anyone else’s enjoyment of the
film, let alone berate you. Everyone is free to derive pleasure from whatever
he or she fancies. But perhaps, the next time you see a promotional poster/DVD cover that
features a white man wearing a noble explorer’s top hat, an adventurer’s torn shirt,
a cowboy’s pants and a gun for a penis whipping exotic foreigners and women
into submission, try and be aware of what it is exactly, that your enjoyment
consists of.