‘De muziek kent geen grenzen’? Musici en hun instrumenten wel

Door Rutger Helmers

Het is
moeilijk te overschatten hoe belangrijk mobiliteit voor ons culturele leven is.
Voor mij leed dat sowieso geen twijfel: ik doe immers onderzoek naar reizen in
het muziekleven in de negentiende eeuw, en geef op dit moment een mastercursus
over muziek en mobiliteit in Amsterdam. Maar de boodschap wordt er nog eens
extra ingewreven nu ik met fikse pijn in mijn rug een paar dagen thuis aan bed en
bank gekluisterd ben.

image

Dan bereikt
mij een bericht van de FIM, de internationale bond voor musici, die een petitie bij de Europese Raad
wil indienen. Zij eisen betere regelgeving voor luchtvaartmaatschappijen, die
het vervoer van muziekinstrumenten nu niet altijd even gemakkelijk maken
(probeer je maar eens voor te stellen dat er een Stradivarius of Fender
Stratocaster bij je handbagage zit). Ze hebben niemand minder dan Katie Melua
gestrikt om als gezicht van de actie op te treden. Toch zou het nog wel eens
lastig lobbyen kunnen zijn in een periode waarin Europese Unie vooral met het sluiten
van grenzen gepreoccupeerd lijkt.

Mobiliteit
lijkt zo’n vanzelfsprekend verschijnsel in ons muziekleven. In het Nijmeegse
Doornroosje, bijvoorbeeld, is het de normaalste zaak van de wereld om Amerikaanse,
Britse, Duitse of Belgische acts te zien, en Nederlandse artiesten profileren
zich in eigen land maar al te graag met hun internationale ervaring. Hoewel
veel muziek nu via iTunes, Spotify of YouTube met één druk op de knop
beschikbaar is, blijft live-muziek een grote aantrekkingskracht op het publiek
uitoefenen, en is toeren voor veel artiesten en bands van levensbelang.

De internationale
circulatie van musici is van alle tijden. Ook voor er vliegtuigen, bussen of zelfs
maar stoomtreinen waren, reisden musici over enorme afstanden. In zijn korte
leven doorkruiste Wolfgang Amadeus Mozart per koets een flink deel van het
Europese continent – en niet voor niets worden zijn reizen nu door de Europese Unie gebruikt om het
gevoel van gemeenschappelijke geschiedenis en cultuur te versterken. Johann
Sebastian Bach legde in 1705 maar liefst 400 km te voet af, van Arnstadt naar
Lübeck, wat overigens begrijpelijker wordt zodra je weet dat reizen met de koets
in de vroege achttiende eeuw wel flink duurder, maar nauwelijks sneller was.
Reizen was altijd een onaangename en hachelijke onderneming, maar dat hield
schijnbaar niemand tegen. In de negentiende eeuw vind je meer dan genoeg zangers
en instrumentalisten die besluiten op hun tours ook even Mexico, Turkije of
Indonesië aan te doen, en daarbij komen onwaarschijnlijke verhalen van virtuozen
die besloten hun Stradivarius-cello door Siberië of drie à vier Erard-vleugels door
de Verenigde Staten mee te slepen.

Je zou
denken dat dergelijke ondernemingen tegenwoordig nauwelijks meer een uitdaging
vormen. En inderdaad, het vervoer gaat een stuk soepeler en sneller, maar nog
altijd stuiten reizende musici zo nu en dan op problemen. Ik heb zelf
meegemaakt hoe een strijkkwartet dat in 2010 op een conferentie
in Leeds zou spelen, niet kwam opdagen. De Amerikaanse celliste bleek door de
douane geweigerd: hoewel ze een onbetaald optreden voor de universiteit zou
geven, had de douanier op basis van haar instrument geconcludeerd dat ze voor
‘werk’ was gekomen en dus niet het juiste visum had. De andere leden van het
kwartet waren overigens zonder problemen doorgelaten – waarschijnlijk omdat hun
instrumenten iets kleiner waren en dus niemand waren opgevallen.

En waar
sommige onbetaalde musici geweigerd worden omdat de douane verwacht dat ze iets
gaan verdienen, lopen anderen tegen de verdenking op dat dit juist te weinig
zal zijn. De succesvolle Senegalese hiphopformatie Daara J Family zou in hetzelfde jaar hun
nieuwste album in Engeland promoten met een concert in Londen en een optreden
voor BBC Radio 4, maar mochten het Verenigd Koninkrijk niet in: zij hadden niet
aan alle formaliteiten voldaan om aan te tonen dat zij in Engeland in hun
levensonderhoud konden voorzien. Ethiopische gitarist, bassist
en producer Nick Page klaagde dat op deze manier de wereldmuziek-scene ‘straks
alleen nog uit muzikanten met een EU-paspoort bestaat.’

Hetzelfde probleem bestaat echter ook voor de
minder bedeelde burgers van rijke landen. Onlangs werd er nog gesignaleerd hoe
duur en lastig het was voor beginnende bandjes uit Canada om concerten in de Verenigde
Staten te kunnen geven (zonder als ‘toerist’ hun instrumenten het land in te
smokkelen), waarbij ook Amerika’s noorderburen zich lichtelijk zorgen lijken te
maken over de opmars van Donald Trump.

En dan
blijkt naast al deze visumellende (en ik probeer maar even niet te bedenken hoe
moeilijk het op dit moment voor Syrische musici zal zijn) dat het transport van
instrumenten van mensen mét de juiste papieren ook al problemen oplevert. Ik
teken die petitie maar. Zodra ik mijn bed weer uit kan, hoop ik wel dat er nog
een beetje goede concerten in de buurt zijn.