Materialities: a virus and face masks

Written by Anneke Smelik   

Image: Duurzame Mode 025

The fashion and beauty industries are suffering financially from the corona crisis, but some clothing companies, including large fast fashion ones such as Zara (Spain) and H&M (Sweden), are converting to the production of Personal Protective Equipment (PPE) in the form of face masks and protective gowns. Now that face masks are slowly entering the streets of European cities, there is the critical issue of accessibility: where to buy them and how to remain fashionable? DIY videos instruct people how to
make do with materials on hand, from fabric and sheets to bras and T-shirts. Volunteers make masks for hospitals and nursing homes, while private consumers have become producers at home.

Luxury brands like Armani, Gucci and Prada in Italy and LVMH in France (Dior, Fendi, Louis Vuitton and Givenchy) resort to making face masks for their respective governments, while luxury perfume makers such as Bvlgari and Guerlain have pledged to make hand sanitizers (Bramley 2020). Fashion brands and collaborations between industry and government become sources of local and national pride in times of crisis. To address aesthetic concerns many smaller fashion brands or designers are making fashionable face masks, including sequined, 3D printed and recyclable ones (Philipkoski 2020). In the Netherlands designer Sjaak Hullekes (Hulle Kes) and tech-fashion designer Melanie Brown (Bybrown) make fashionable face masks, while The Fashion Filter designs them together with the Technical University of Eindhoven. In the region Arnhem-Nijmegen the platform for sustainable fashion has developed a project with local designers to produce sustainable face masks: ‘FACE MASKS 025’.

In an earlier contribution to this blog I wrote about new materialism. In the context of the Covid-19 pandemic, materials and materialities come into stark relief. As the virus spreads globally from body to body, the importance of material protection, along with ‘social distancing’, becomes paramount. Initial material shortages of face masks, protective gowns, ventilators and testing swabs presented life-threatening conditions due to sheer demand as well as supply chain disruptions. By the end of April, many countries were recommending or demanding cloth face masks for everyone in public spaces, with the clarification that medical masks should be reserved for healthcare workers.

The question whether ‘to mask or not to mask’ (Eikenberry et al. 2020) has become quite the topic of debate. There have been mixed and dramatically changing messages whether the general public should engage in mask-wearing. Cultural as well as material and medical factors had influenced some of the earlier advice for the public not to mask in Europe and the USA. In addition to concerns about material shortages and perceptions of a false sense of security, there had been concerns about stigmatization and discrimination (Tufekci et al. 2020). Unlike the invisible virus, the mask is highly visible and has not been customary in western cultures. Mask usage in public for health purposes is much more common in Asian countries, especially since the SARS outbreak in 2003. In China, mask-wearing
is a practice associated with modern material culture.

While there are benefits to individual wearers, depending on the particular material and fit issues associated with the mask, it is basically an act of generosity to others to don a cloth mask. Inasmuch as ‘western’ cultures have tended toward individualist rather than collectivist needs, compliance requires a transformation in meaning and thinking. As Austria began to mandate mask-wearing in public spaces such as grocery stores, for example, Chancellor Sebastian Kurz noted that it would be a ‘big adjustment’ as ‘masks are alien to our culture’ (Norimitsu 2020).

The pandemic reminds us that we are all material subjects (Smelik, 2018), dependent on fabrics, clothes, and other materials not only for protective, but also for aesthetic, cultural, and social reasons. When I donned a – very ordinary – face mask for the first time, I was struck how hot it was walking in the sun, how it itched behind my ears, and that my glasses got fogged up. As I realized that the highly visible face mask is a material object that protects me, us, from the material yet invisible Covid 19 virus, I felt acutely how our daily life is characterized by non-human actors invading as well as protecting our all-too-human (and hence vulnerable) bodies. We are material subjects made up of nonhuman and human components within the larger contexts of material culture, local circumstances and global circuits.

* This blog is based on a text that Susan Kaiser and I wrote together, “Materials and materialities: Viral and sheep-ish encounters with
fashion”. Editorial introduction to Critical Studies in Fashion & Beauty, vol 11 nr 1, in press June 2020.

References:

Bramley, Ellie Violet (2020), ‘Prada the latest brand to make medical face masks’, The Guardian, 24 March.

Eikenberry, Steffen E.; Mancuso, Marina; Iboi, Enahoro; Phan, Tin, Eikenberry, Keenan; Kuang, Yang; Kostelich, Eric; and Gumel, Abba B. (2020), ‘To mask or not to mask: Modeling the potential for face mask use by the general public to curtail the COVID-19 pandemic’: https://doi.org/10.1101/2020.04.06.20055624

Onishi, Norimitsu, and Méhuet, Constant (2020), ‘Mask-wearing is a very new fashion in Paris (and a lot of other places)’, New York Times, 9 April.

Philipkoski, Kristen (2020), ‘30+ fashionbrands pivoting to make stylish coronavirus masks’, Forbes, 12 April.

Smelik, Anneke (2018), ‘New materialism: A theoretical framework for fashion in the age of technological innovation’, International Journal of Fashion Studies, 5(1), pp. 31-52.

Tufekci, Zeynep; Howard, Jeremy; and Greenhalgh, Trish (2020), ‘The real reason to wear a mask’, The Atlantic, 22 April.

Een écht goede band vraagt niet om steun? Een pleidooi voor een nieuw popmecenaat

Door Helleke van den Braber en
Rocco Hueting

image

We zullen met zijn allen de schouders onder de Nederlandse pop
moeten zetten’
, schreef Robert van Gijssel in De Volkskrant van 7 mei j.l. Hij heeft groot gelijk. Belangrijke vragen: hoe ziet die steun aan de pop er dan uit? Wie moeten het ‘met z’n allen’ geven? En hoe zetten muzikanten dit op een goede manier in gang? Deze week zette Pip Blom al een eerste stap, met de oprichting van haar ‘members only service’ Pip Blom Backstage. Vooralsnog is ze in Nederland de enige.

Is het denkbaar, mecenaat in de pop? We doen een voorzet – en wijzen tegelijk op de obstakels.

De coronacrisis legt de kwetsbaarheid én de kracht van popmuzikanten bloot. De pop krijgt slechts 0,15 van het geld dat in de Basisinfrastructuur voor podiumkunsten is gereserveerd. Bands doen veelal geen beroep op de
overheid, maar bouwen aan hun carrière in interactie met hun fans. Nu de zalen leeg blijven, drogen die inkomsten op. Juist wat pop altijd gedragen heeft – de intense en productieve afhankelijkheid van het publiek – slaat nu om in het tegendeel. Het ‘eigenaarschap’ dat de fans van oudsher voelen jegens hun favoriete bands, de intense onderlinge connectie – hoe daar nu uiting aan te geven? Voor miljoenen mensen is popmuziek in deze tijd een springlevende bron van energie en houvast. De schouders eronder dus – maar hoe?

Een snelle blik op de gevestigde kunsten. Daar worden makers al decennialang in geefkringen rechtstreeks door hun bewonderaars ondersteund. De gelauwerde musici van het Residentie Orkest zijn trots op de hulp van 1500 liefhebbers, de acteurs van ITA verwelkomen donaties van 2000 toneelfans, en het befaamde Concertgebouworkest bedankt jaarlijks 20.000 trouwe vrienden. Waarom is deze vorm van mecenaat wél geaccepteerd in de gevestigde kunsten, maar vrijwel volledig afwezig in de pop?

Komt dat doordat we in de gevestigde kunsten volop tijdloze en gelauwerde instituten zien, waarin musici, dirigenten en regisseurs elkaar al generaties lang opvolgen? Veel popbands kennen een vluchtiger en commerciëler
bestaan en zijn minder dan de orkesten en toneelgezelschappen die we hierboven noemden verankerd in duurzame instituten gewijd aan Echte Kunst. Hoe het ook zij: geen gerenommeerde band waagt het z’n fans om hulp te vragen. De belangrijkste reden: steun zoeken bij het publiek is voor popartiesten geen teken van kracht, maar van zwakte.

Dat heeft alles te maken met aloude Romantische ideaalbeelden en taboes rond kunstenaarschap en geld die vanaf de jaren zestig een nieuw en vitaal leven kregen in de popmuziek. De ideale popartiest is onafhankelijk (een rebelse outsider), authentiek (een oprechte vertolker van zijn eigen waarheid) en onbaatzuchtig (louter gericht op de kwaliteit van zijn muziek). Dit beeld en de bijbehorende taboes wordt door elke nieuwe generatie popartiesten uitgedragen. Zij én de muziekindustrie hebben er belang bij het idee van artistieke en financiële autonomie hoog te houden. Alleen wie niet ‘te koop’ is kan immers hopen artistiek serieus te worden genomen.

Hoe springlevend dit alles nog is blijkt uit de gewetensnood waarin metalzangeres Floor Jansen dit voorjaar kwam toen ze de video- en
audioregistratie
van haar (later wegens de coronacrisis afgelaste) concerten in de Afas Live via crowdfunding wilde financieren. In de podcast De Machine van 10 maart 2020 vertelde ze hoeveel moeite ze had om daar zelfs maar een klein bedrag aan haar fans voor te vragen, zelfs al was de videoregistratie voor diezelfde fans bedoeld. Profijt trekken uit de trouw van haar fans was voor haar een brug te ver. Dit past perfect in de ideologie zoals in de vorige alinea omschreven. Een écht goede band, zo is het idee, vraagt niet om steun. Een écht goede band kan het op eigen kracht. Wij vinden: elk pleidooi voor meer geven aan cultuur – en dit soort pleidooien verschijnen nu links en rechts in de media – moet rekening houden met dit soort oordelen en taboes. Ze maken het voor kunstenaars lastig om ondersteuning met opgeheven hoofd te aanvaarden.

Toch denken wij dat er ruimte is voor een nieuw en vooruitstrevend
popmecenaat, dat deze taboes niet alleen erkent en omarmt, maar ook weet om te buigen. Dat moet dan een vorm van ondersteuning zijn die niet alleen ‘van de fans voor de band’ is, maar ook ‘van de band voor de fans’. Mecenaat in de pop kan bloeien als het wederkerig van aard is, gericht op uitwisseling, en gebouwd op dat wat muzikanten en hun fans van oudsher bindt: een gedeelde identiteit en energie.

De pop heeft baat bij een mecenaat waar een band z’n fans trots en zonder gêne bij kan betrekken. Dus niet: een anonieme doneerknop ten bate van ‘de popmuziek’. Wel: geefkringen op maat, door bands zélf ontwikkeld, passend bij wie ze zijn en bij het soort fan dat om hen heen staat. Niet: een eenmalige donatie om een zielige, door coronanood getroffen muzikant te ‘redden’. Wel: de geefkring als (virtuele) plek waar fans zich duurzaam om een band scharen, en deelhebben aan wat een band doet en maakt.

Om dat mogelijk te maken is een mentaliteitsomslag nodig bij band én bij hun fans. Bands zullen, net als Pip Blom, open kaart moeten spelen over hun behoefte aan steun en hun fans een oprecht en doorvoeld voorstel moeten doen. Pip Blom houdt haar fans deze week voor dat ze hen via hun membership deelgenoot wil maken van ‘why it means a lot to us’  om in de band te spelen, en vraagt hen in ruil daarvoor om een bijdrage van 0,
4 of 10 euro per maand. De fans, op hun beurt, zullen afscheid moeten nemen van hun consumentenperspectief en erop moeten leren vertrouwen dat de band zijn best doet een tegenprestatie te leveren die past bij de waarde van hun investering. Misschien zal die tegengift niet altijd de vorm of inhoud hebben waarop de fans gerekend hadden. Belangrijk is dat beide partijen werken aan een vorm van community building en elkaar de ruimte geven een gezamenlijk domein van uitwisseling vorm te geven.

De geefkring als interactief domein van samenkomst dus, waar je als betrokken fan graag bent én blijft, om met gerichte donaties te zorgen dat we ook komende decennia naar nieuwe muziek kunnen luisteren. Popmecenaat: het is er nog niet, maar het kan er komen.

Helleke van den Braber is verbonden aan de Radboud Universiteit en bekleedt de leerstoel Mecenaatstudies aan de Universiteit Utrecht

Rocco Hueting is Muzikant en Cultuurwetenschapper

Dit is een bewerking van een opiniestuk dat op 13 mei 2020 in De Volkskrant is gepubliceerd.

A very reverent Alice

Written by Anna P. H. Geurts

Alice in Wonderland is one of the most variedly illustrated stories ever, and yet artists over the past 150 years have limited themselves in strange ways when re-imagining this classic. Last year, I made a call for African, African American, or otherwise non-European-looking Alices in Wonderland
on my blog. Several reached me, including two Australian editions, Whoopi Goldberg’s urban retelling, and the 2018 Pirelli calendar.

Now, designer Marlon McKenney has published Alice in Wonderland: Re-Mixed.

The book is a drastically shortened, retold version of the classic story, richly illustrated with digital images. These illustrations do an excellent job at normalising the depiction of brown-skinned people in picture books: exactly as I wished for when I made my call last year.

The book also includes some nice finds in the genre (yes!) of Alice art: there is a water-clock tea set; the Cheshire Cat practices voodoo; the White Rabbit is a DJ carrying a bling-bling watch; the game of croquet has been turned into a singing contest; and the Queen of Hearts’s children have been turned into – white – security guards, carrying guns, batons and tasers: ominous, but no less ominous than Carroll’s original.

The special aim of this publication is to bring African American children in touch with African American heritage.* The book thus aims to help consolidate a canon of art works and ideas created by people with African roots. Or, as it seems in some parts of the book, the aim may even be to create a canon of non-whites from across the entire world.

Unfortunately, this has resulted in a book with a didactic tone and little humour. During Alice’s long fall down, for instance,

‘She saw mystical books, ancient symbols, and pictures of important historical women. Alice was dazed and confused by the images circulating through her mind, yet somehow, they felt vaguely familiar. She’d have to remember to ask her sister about them.’ [bolds in the original]

image

At the end of the story, ‘everyone from Wonderland finally decided to stand up to the Queen and stop her from hurting anyone else anymore.’ And after Alice’s return above ground, she says to her sister: ‘I’m just glad to be back where things are really what they seem[.]’ What chafes most in this
respect, is that Lewis Carroll’s intentions and methods – to entertain children with nonsensical conversation – have been lost. And perhaps this is inevitable. The makers of the book clearly thought: what better way to
strengthen a new canon than to attach it to an existing canonic work?

But in many ways, the original Alice is an anti-canonic work. Irreverence, critique and irony are at its very heart: Shakespeare is reduced to a textbook portrait of a man with a finger pressed against his forehead; the Battle of Hastings, focal point in the British self-image, is the driest story a crowd of animals can come up with; there are the ineffectual King and Queen of Hearts; haughty Humpty Dumpty falls off his wall; and afternoon tea is a never-ending affair. Every bit of British canonicity is ridiculed.

To create a similar, humorous critique of African American figureheads might, Marlon McKenney may have deliberated, undermine the purpose of his book, which was to offer its readers a first introduction to these people and make it unambiguously clear that they are our heroes. In a typical sentence therefore, Alice’s sister Kenya ‘was reading aloud from one of her favorite books by the great poet Maya Angelou.’

On the other hand, the Re-Mixed retelling also offers a refreshing take on the idea of a canon by mixing up what in books is usually demarcated as two separate realms: that of low culture and of high culture – of street art and salon art: Tweedledee and Tweedledum figure as two breakdancers on cardboard, next to the novels of Maya Angelou; vodou stands next to the high politics of Nelson Mandela.

Refreshing, but also a little risky. Because by following this tactic, and by including icons from across the history of the world, ranging from the Bhagavad Gita, via shamans, Frida Kahlo, and a southern-Asian caterpillar, to Queen Nefertari, all in a text of only a few thousand words, McKenney runs the danger of creating the impression that African American history offers little material that is worthy of a cultural canon. It is as if he only had a few people and works of art to choose from. Granted, every canon-building endeavour has to start somewhere. But by limiting himself to, for instance, twentieth-century North America, the author would have made a much stronger case for the global significance and influence of African American culture.

And perhaps the best service McKenney could indeed have done his heroes, would have been to treat them with a little less reverence. (Okay, apart from Maya Angelou. But Haile Selassie?) Because: once we can laugh with our cultural icons, we know that they have undeniably made it to the canon.

 A digital copy of the book is available for free from Conscious Culture Publishing.

 * This is my interpretation of the publisher’s blurb, which reads:

‘CCP is an independent publishing company committed to creating a platform for diverse content that push the boundaries of traditional storytelling. Through the creation of narratives that are a reflection of the people both creating and experiencing these stories, we empower young readers to reach their fullest potential while embracing their history and culture.

Our stories are a reflection of the global community and we believe it is important that young people of color not only see themselves reflected in stories but also have a platform to provide their own authentic voice, culture, and experience. Storytelling is an extraordinary way to educate and empower young readers and show them that they are limitless.’

Scenes uit het Antropoceen: Andrej Tarkovski

Door Jeroen Boom

image

Stalker (Andrej Tarkovski, 1979)

Één van cinema’s vele scheppingsmythen wijst op de vertoning van Louis Lumière’s Le Repas de Bébé (1895), een korte film waarin niets meer te zien is dan hoe een baby gevoed wordt in een zonovergoten tuin. Ook al portretteerde de film slechts een futiel alledaags ritueel, haar bezoekers waren verbijsterd door het nieuwe medium. Het meest fascinerende en raadselachtige aspect van het fragment, zo beschreef film theoreticus Siegfried Kracauer in The Theory of Film, was niet de familie die zich op de voorgrond verzamelde, maar de poëzie van de wind die de bladeren in de bomen deed dansen in de achtergrond.

Wie deze cine-ecologische genealogie verder volgt, komt ongetwijfeld snel uit bij de Russische filmmaker Andrej Tarkovski, wiens cinema van stil kabbelend water en diepzwarte aarde vele regisseurs na hem — onder andere Denis Villeneuve, Lars von Trier en Michael Haneke — heeft begeesterd. “De ultieme Tarkovskiaanse spirituele ervaring,” zo schrijft filosoof Slavoj Žižek in The Thing from Inner Space, “doet zich voor wanneer een karakter ligt uitgestrekt op het aardoppervlak, half ondergedompeld in gortig water”. Tarkovski kijkt niet omhoog naar de hemel om het spirituele en het transcendente te vinden, maar naar beneden; naar de modder, de smurrie, en de fijne stofdeeltjes die zweven boven het aardoppervlak: zijn cinema is er een van rauwe materie, van down-to-earth immanentie.

Tarkovski’s werelden zijn vochtig en drassig, vaak verwoest en vervallen, bedekt door een deken van mist. Als nomaden zwerven zijn karakters door zulke gebieden, nooit goed wetend waar de reis naar toe gaat of waar zij zullen eindigen, altijd onderweg naar het onbekende. Voor wie zich waagt aan het werk van Gilles Deleuze en Félix Guattari weet dat de “nomade”, zowel als denkfiguur en metafoor, haaks staat op het klassieke denken over de mens en haar plaats in de wereld. Zij is niet, zoals vaak gesuggereerd, onveranderlijk thuis in het centrum van het universum, maar voortdurend in wording, voortdurend in transformatie. Ontheemd deint zij mee op de golven van het zijn, schommelend en beweeglijk, in een dynamisch
proces van worden. De mens is, net zoals de personages in Tarkovski’s
films, eeuwig onderweg.

Het is dit beeld van het rondreizende individu in een wereld van afval en aftakeling dat richting kan bieden in ons denken over het Antropoceen, het tijdperk waarin de uitzonderlijke en collectieve invloed van de mens op mondiale en catastrofale schaal zichtbaar wordt.

In Stalker (1979), een film gemaakt tijdens grote nucleaire dreiging, situeert Tarkovski de mens-als-nomade het meest expliciet in haar materiële en vervuilde omgeving. In de film banen een schrijver en een professor zich een weg door het verboden en haast ondoordringbare landschap van ‘de zone’. Zij worden begeleid door de stalker, een figuur die zijn leven op het spel zet — tegen betaling uiteraard — om de twee nieuwsgierigen rond te leiden door het verontreinigde gebied. De drie karakters dwalen door de zone in de hoop het gebied te doorgronden, maar stuiten enkel op nog meer raadsels. Ook voor de kijker is de zone gehuld in mysterie, zo weet zij niet hoe en wanneer deze giftige plek ontstaan is of hoe lang deze nog zal bestaan. Het is al te laat om de zorgelijke ontwikkelingen in de zone te stoppen, maar te vroeg om met enige helderheid de situatie te begrijpen. Het is door deze ambiguïteit en ongrijpbaarheid dat Tarkovski’s zone
uitnodigt om te denken over het Antropoceen als een esthetisch probleem: hoe kunnen de kunsten een tragedie vatten die zowel onmenselijk rampzalig als grotendeels vormloos is, onontkomelijk aanwezig maar niet onmiddellijk zichtbaar?

Halverwege de film, wanneer de drie mannen hun rust vinden op een drassig stuk grond, lijkt de film een antwoord te formuleren op deze vraag. Nadat de stalker zijn ogen heeft gesloten, snijdt de film naar een ‘overhead
shot’ van de rivier die tussen hen in stroomt. De camera glijdt vanaf een paar centimeter langzaam over het wateroppervlak. Eerst bewegen we over het slapende gezicht van de stalker, waarna we een aantal willekeurige
objecten tegenkomen, roestig en half begraven in de zanderige rivierbedding. Veel van deze troep is niet meer thuis te brengen, te aangetast door het verontreinigde water, maar een aantal menselijke relikwieën, zoals munten, foto’s, spiegels, en spuiten, zijn nog te herkennen. Ondertussen horen we in een voice-over hoe de vrouw van de stalker een passage voordraagt uit de Openbaring van Johannes, waardoor de onorthodoxe camerabeweging een merkwaardig apocalyptische connotatie krijgt.

Tarkovski’s focus op de wederzijdse verwikkeling van menselijke en niet-menselijke materie herinnert ons aan het gegeven dat onze natuurlijke omgeving meer is dan de passieve achtergrond van ons bestaan, niet enkel gereserveerd voor het anthropos. Mens en natuur, zo lijkt hij te suggereren, zijn deel van een gemeenschappelijk milieu en relationele ecologie, gemaakt van eenzelfde materie en in eenzelfde staat van ontbinding. Het is een opvallend lange scene zonder narratieve context, waarin een langzaam proces van verval en sedimentatie zich voor onze ogen lijkt te voltrekken. Het is het soort traagheid dat Tarkovski leent van de door hem bewonderde Michelangelo Antonioni, wiens films gekenmerkt worden door geruïneerde landschappen en loze tijd. Deze lege tijd, beroofd van enige narratieve significantie of menselijke actie, zorgt ervoor dat karakters en hun
omgevingen gelijkgesteld worden aan elkaar. Voor even staat niets in dienst van het plot. Wat overblijft, zoals ook Žižek beschrijft, is enkel de fysieke impact van materiële texturen.

Naast shots waarin de camera nomadisch over aardse oppervlakten beweegt, decentreert Tarkovski zijn personages ook op andere wijzen. De eerste minuten van Solaris (1972), bijvoorbeeld, worden gekenmerkt door lange close-ups van bewegend riet en zeewier, waarna de camera langzaam het hoofdpersonage introduceert. We zien psycholoog en kosmonaut Kris Kelvin, wiens blauwe jas haast wegvalt in de nevelige achtergrond. Het is een techniek die Tarkovski inzet om zijn personages expliciet te laten versmelten met de natuurlijke landschappen in zijn composities, waarbij de oppositie tussen voorgrond en achtergrond verdwijnt.

image

Still uit Solaris (Tarkvoski, 1972)

image

Still uit Stalker (Tarkovski, 1979)

image

Still uit Andrei Rublev (Tarkovski, 1966)

Op verschillende manieren lijkt Tarkovski de aandacht te vestigen op de aarde als een vitaal en gedeeld milieu, als een monistisch geheel dat van strikte hiërarchieën is ontdaan. Zoals Karen Barad schrijft in haar artikel ‘Posthumanist Performativity,’ “de mens is niet simpel gelokaliseerd ergens in de wereld, maar maakt deel uit van de wereld in haar voortdurende intra-activiteit”. Als zijn karakters zwijgen, laat Tarkovski hun natuurlijke omgeving spreken. Als we bereid zijn te luisteren, horen we het stromen van water en de wind in de bladeren.

Tarkovski’s oeuvre is dit najaar te bewonderen in verschillende filmhuizen en bioscopen door Nederland. De tentoonstelling ‘Andrei Tarkovsky – The Exhibition’ is nog tot 6 december 2019 te zien in Eye Filmmuseum Amsterdam.

Feminisme en mode: van suffragette tot genderbender

Door Anneke Smelik

image


Weg met het korset
De viering van honderd jaar vrouwenkiesrecht roept de vraag op wat feminisme met mode heeft te maken. Als we foto’s bekijken van suffragettes uit de eerste feministische golf, aan het einde van de negentiende eeuw, dan zien we strijdbare vrouwen in chique gewaden: lange rokken, geborduurde japonnen, en opgestoken haar onder hoeden
met veren. Deze deftige dames streden voor het recht om te stemmen, maar wilden ook andere belangrijke doelen bereiken zoals toegang tot de universiteit, betaald werk en geboortebeperking.

Verrassend genoeg richtte de vrouwenemancipatie zich ook op een alledaags onderwerp als kleding: ze verlangden gezonde kleding voor vrouwen! Weg met het korset, riepen de feministen. Het korset drukt de buik in en bolt de borsten op, zodat de lijnen van het vrouwelijk lichaam figuur benadrukt worden. Sexy misschien, zoals je nu kan zien in shows
van Dita Von Teese of Madonna. Maar als je zoals in vorige eeuwen dagelijks
strak ingesnoerd bent in een korset, kan je buikpijn krijgen of moeite met
ademhalen. Niet voor niets vielen vrouwen rond de vorige eeuwwisseling zo vaak flauw: ze kregen gewoon niet genoeg adem door het strakke korset. In historische kostuumfilms is vaak een scène te zien waarin de vrouwelijke hoofdpersoon stijf in het korset wordt geregen als symbool voor de onderdrukte positie waarin zij zit; bijvoorbeeld Rose (Kate Winslet) in Titanic (1997). Voorvechters van vrouwenemancipatie vonden het korset dan ook een slechte zaak en pleitten voor soepele kleding om vrouwen letterlijk meer bewegingsvrijheid te geven.

image


Kom maar op met die broek
Aan het begin van de twintigste eeuw wordt vrouwenkleding in rap tempo moderner: het korset verdwijnt, de rokken en de mouwen worden korter, het silhouet wordt rechter en de lijnen simpeler. Vrouwenemancipatie speelt hierin een belangrijke rol: als vrouwen de arbeidsmarkt gaan betreden en de tram of trein willen halen, dan zijn lange en volle rokken bijzonder onhandig en zelfs gevaarlijk. Modeontwerpster Coco Chanel maakt korte metten met het korset, het voluptueuze silhouet en de
tierlantijnen van welgestelde dameskleding. Zij kleedt vrouwen in een simpele rechte rok tot op de knie en een recht jasje van soepele stoffen, zoals jersey, wat oorspronkelijk een stof is voor mannenondergoed. Ze introduceert zelfs de broek voor vrouwen. En dat is revolutionair!

Het is voor ons nauwelijks te bevatten, maar het was voor vrouwen bij wet verboden om broeken te dragen. Aan het einde van de negentiende eeuw trekken enkele vrouwen voor het eerst een broek aan—en prompt worden ze gearresteerd. Broek-dragende vrouwen overtreden immers de openbare orde of Gods orde. In de jaren twintig van de vorige eeuw begint, heel langzaam, de pantalon voor vrouwen op te komen. Beroemde actrices zoals Marlene Dietrich of Greta Garbo zijn afgebeeld in pantalon en zelfs in mannenpak. Maar pas in de jaren zestig breekt de damesbroek definitief door; nog maar vijftig jaar geleden. De modeontwerper Yves St. Laurent schrijft in 1966 geschiedenis met zijn smoking voor vrouwen. En dan gaat het snel. Door de hippiebeweging vervagen de grenzen tussen mannen en
vrouwen: jongens dragen lang haar en meisjes dragen jeans. In de jaren tachtig verschijnt de carrièrevrouw in mannenpak: een colbert met volle schouders, soms met broek, soms met een rok. Het wordt ook wel ‘power dressing’ genoemd; bijvoorbeeld Diane Keaton in de film Annie Hall (1977) of Grace Jones met haar vierkante schouders en dito kapsel (b.v. het album Nightclubbing, 1981).

Een rok voor mannen: een brug te ver?
Feminisme gaat dus niet alleen over kiesrecht, arbeid, of het slikken van de Pil, maar ook over het soort kleding dat we dragen. De broek werd al genoemd, maar er was in de jaren zestig ook strijd over sexy kleding, zoals de komst van de bikini of de minirok, en over het korte kapsel. Telkens weer moesten vrouwen hun vrijheid bevechten. En dat is gelukt: vandaag de dag zijn we heel vrij in de keuze van onze looks.

Toch is hier nog iets interessant aan de hand: want vrouwen mogen dan broeken dragen, maar mannen dragen zelden rokken of jurken. En al helemaal niet in de politiek! Zie je het al voor je: Mark Rutte (of Trump!) in een rok? Nee dus. Ze zijn er wel, rokkendragende mannen, maar alleen op de catwalk, in ontwerpen van Marc Jacobs, Jean-Paul Gaultier, of J.W. Anderson.

Aan de hand van gendertheorie kunnen we uitleggen dat het verschil in kleding tussen mannen en vrouwen in feite een machtsverschil is. Een sociale groep zal zich altijd aanpassen aan de dominante norm en daarmee aan macht en status winnen. Als de achtergestelde sociale groep van vrouwen zich aanpast aan de heersende norm van mannen, trekken vrouwen mannelijke kleding aan, zoals de pantalon of het colbert. Zo verkrijgen ze meer macht en status. Daarom zie je dat vrouwen aan de top, zoals in de politiek, zo vaak een broekpak dragen: ze passen zich aan de mannelijke norm aan. Als de dominante groep, de mannen, kleding overneemt van de maatschappelijk achtergestelde groep, de vrouwen, dan verliest die groep aan macht en status. Daarom vinden we een man in een rok of jurk raar of belachelijk. Hetzelfde geldt voor felle kleuren. Een man in een knalrood colbertpak nemen we minder serieus, want kleuren zijn vrouwelijk in de westerse cultuur van vandaag. Vandaar dat Angela Merkel, Hillary Clinton en menig andere vrouwelijke politicus met een felle kleurkeuze toch nog een vrouwelijk accent geven aan hun mannelijke colbert of broek.

Bij dit soort machtsverschillen is het altijd aardig om je de situatie omgekeerd voor te stellen. Bekijk bijvoorbeeld de fotoserie van Gigi Hadid en Zayn Malik voor de Vogue van augustus 2017, waarin ze onder andere in hetzelfde bruine Pradapak poseren. Dat accepteren we: Gigi kan ‘ongestraft’ mannenkleding aantrekken. Zayn en Gigi bepleiten ‘gender fluidity’ in hun kleding, waarmee ze aangeven met vrouwelijkheid en mannelijkheid te willen spelen. Inderdaad draagt Zayn kleding in felle kleuren, met bloemenpatronen en zelfs met kant, maar een rok of jurk draagt hij niet. Natuurlijk is in de populaire cultuur meer vrijheid dan in de wereld van de politiek: een model, zanger, acteur of danser kan nog ’ns spelen met zijn kleding, maar een mannelijke politicus in een rok, jurk of zelfs maar
een rood, geel of paars colbertpak—dat is echt een brug te ver.

image


Genderbende
Vanaf de jaren zestig is er ook een andere ontwikkeling gaande, want mannen- en vrouwenkleding komt dichter bij elkaar ondanks de nog bestaande verschillen. Androgynie is een ideaal dat steeds opnieuw terugkeert. In de jaren zestig en zeventig heette dat ‘uniseks’ kleding. In de jaren tachtig vierden de vrolijke ‘gender benders’ in de popmuziek hoogtij: David Bowie, Prince, Michael Jackson, Boy George, en onder de vrouwen Madonna, Grace Jones en Annie Lennox. Ook de laatste jaren is er in de mode weer volop aandacht voor ‘gender fluidity’; een meer flexibele grens
tussen de seksen in plaats van een harde scheidslijn. Dit zagen we al bij Gigi en Zayn. Al eerder poseerde het Australische model Andrej Pejić als (toen nog) man voor dameskleding van de HEMA, en was de Nederlandse Saskia de Brauw het model in een mannencampagne voor Yves Saint Laurent (2013). En de Nederlandse eeneiige tweeling, de zussen Lisa en Anna Bosveld, willen zich aan genderhokjes onttrekken. Op het gebied van kleding (laat staan make-up!) is de vrijheid voor mannen veel kleiner dan voor vrouwen. Voor mannen valt er dus nog een wereld te winnen wat kleding betreft. Kom maar op met die kleurige bloemenpatronen in fluweel, brokaat, of kant in mannenkleding. En wie weet: zelfs een zwierige rok of jurk voor de heren?

Van het korset zijn we al ruim een eeuw af; de broek mogen vrouwen al meer dan een halve eeuw aan; nu kunnen we er in het nieuwe millennium met elkaar een ‘genderbende’ van maken!

Yoga and Cultural Appropriation

Written by Roel Smeets

4:30 AM. While my 5-month-old daughter is still asleep, I go downstairs to do my daily meditation and yoga practice before she wakes up. Since three years or so, I practice Ashtanga Yoga, a dynamic sequence of postures characterized by a synchronization of breath and movement. This style of yoga originates from the Indian southwestern city Mysore, where Sri K. Patthabhi Jois (1915-2009) founded the Ashtanga Yoga Research Institute in 1948. In Ashtanga Yoga, ‘Mysore’ refers to the way it was originally taught by Patthabi Jois. Whereas most yoga nowadays is taught collectively in led-classes with teachers indicating the pace, Mysore style Ashtanga Yoga is practised individually and taught one-on-one within a group setting.

When I first set foot in a Mysore room early one morning, I was struck by the electricity in the air. People breathing like Darth Vader (called ‘ujjayi
breath’). Sweat dripping from strong, supple bodies. Energetic, flowing
movements. Initially, I was primarily drawn to the physical aspects of the
practice. I felt that there was something poetic about folding your body into a variety of geometrical shapes. As I continued to practice, my interest in
yoga’s cultural roots grew. Obviously, I knew that yoga was more than just a
physical workout, but the exact nature and history of this spiritual tradition
were largely unknown to me. I started reading some of the classical yoga texts, such as the Yoga Sūtras of Patañjali (400 CE), and delved into yoga
scholarship. I learned the Sanskrit words of the Ashtanga Yoga chants by heart. Meditation gradually became a more important part of my practice. But as I emerged myself into the history and customs of this tradition, a feeling of unease started to grow upon me.

This is why. Modern yoga as practised in the West is an obvious example of cultural appropriation, in the sense that elements from a minority culture are adopted by the dominant culture and transformed into something differently. The rationale is this:

– Yoga is a spiritual tradition originating from India

– People from India are minorities in Western countries, and
India has a history of colonization by Westerners

– Yoga is practised on a large scale in the West and has
become a billion dollar industry

– In the West, the term ‘yoga’ now denotes something that is
different from its original meaning and uses

To be clear, I am definitely not the first to point this out. Especially in light
of India’s colonial history, it is striking to see that this spiritual tradition is now subject to modern forms of colonization and appropriation. It is thus not strange that India has uttered the wish to reclaim yoga.

Still, practising yoga as a Westerner, or as someone who does not have Indian roots, does not necessarily make you a bad person. As most cultural phenomena, yoga is not a stable, fixed practice, it is in constant flux and has witnessed many transformations over the centuries – arguably, the recent Westernization of yoga is just one of those changes. However, I think that yoga practitioners do have a moral obligation to be aware of the the way yoga has changed as a result of its appropriation by Westerners. To help raise such awareness, I will outline one of yoga’s transformations that took place during its rise in the West.

Most people nowadays associate yoga with physical postures on a mat. This association is, however, something fairly recent. As scholars James Mallinson and Mark Singleton describe in Roots of yoga (2017), most ancient writings on yoga instruct students in a multifaceted system of which physical postures is just one of several ‘limbs’. These range from fourfold to fifteenfold systems. Ashtanga Yoga, for instance, is based on an eightfold system as described in one of the most well known yoga texts, the Yoga Sūtras of Patañjali (400 CE). The first two limbs – niyama  and yama
relate to behaviour towards oneself and others, such as discipline (tapas) and non-violence (ahimsa). These limbs bear similarities to the moral codes prescribed in various religious strands, such as the Christian ten commandments. Postures (asana) is the only limb referring to the physical postures that most people associate yoga with today. Interestingly, the Yoga Sūtras do not contain any instructions about how to do a headstand or to how put your leg behind your head, asana simply refers to a ‘steady and
comfortable’ seated position. This seated position is perfect for working on
the other limbs such as breath-control (pranayama), sense withdrawal (pratyahara), focus (dharana), and meditation (dhyana). Finally, the goal of all of this is to reach a state of samadhi, commonly defined as union, absorption, or enlightenment.

image

Physical postures are just one element of yoga. Although later yoga texts such as the Hatha Yoga Pradipika (1500 CE) describe more complex postures than just the seated position described in the Yoga Sūtras, it is clear that the focus on the physical aspect of yoga only came into being in the twentieth century. In most Western countries, yoga today seems to  exclusively refer to asana, and is commonly considered as just one of many physical workout routines, which is exemplified by the fact that fitness studios and sport centres often provide yoga classes (also at Radboud Sports Centre). The clearest example of modern-day Western yoga’s
prioritization of the physical aspect is the existence of yoga championships, where ‘yoga athletes’ are judged merely on the physical appearance of the postures.

The physical aspect of yoga drew me to the practice in the first place, and this is probably also what attracts other (Western) practitioners to it. I primarily saw it as workout, used it to train my body, and it gradually replaced my long distance runs and fitness sessions. Was I doing yoga, or was I just doing some stretching exercises? Probably the latter. But although I was not fully aware of the importance of the other limbs of yoga, breath-control (pranayama), sense withdrawal (pratyahara), focus  (dharana), and meditation (dhyana) started to become equally important aspects of my daily practice. Do I now have the right to say that I am doing yoga? I am not sure. There is a huge gray area between cultural appropriation and cultural appreciation. Who draws the line, and where should the line be drawn?

Now trending: the transgender model

By Lianne
Toussaint

The May 2015 issue of US Vogue
(Vol. 222) featured the first transgender model in the history (132 years!) of
its existence: Andreja Pejic. That same month, IMG Models – one of the biggest
modelling agencies worldwide – announced transgender actress, writer and model Hari Nef as the
newest addition to its roll. Two months later, H&M sister brand ‘&
Other Stories’ followed the example of brands like Barneys and Make Up For Ever by launching an advertising campaign featuring transgender models Valentijn De Hingh and Hari Nef. And last week, it
was all over the news when Dutch model Loiza Lamers was crowned the first-ever transgender winner of the ‘Next Top Model’ television franchise. Has the fashion industry
suddenly become all trans-friendly?

image

Although the vocabulary used to describe this trend may fool you into believing
otherwise, the presence of transgender models in fashion imagery is not exactly as new as it seems. In the 1960s, after going through the horrors of
bullying, assault, failed suicide attempts, and (electric, drug, hormone)
treatment in a mental institution, April Ashley worked as a professional model in Britain until the
news about her gender confirmation surgery soon made an end to her professional career. In 1991,
the British model Caroline “Tula” Cossey became famous as the first trans women to pose for Playboy.

It may not be
an entirely new phenomenon, but in many ways the recent rise and success of the
transgender model does seem groundbreaking. The increasing visibility of trans
models such as Valentijn De Hingh, Lea T, and Andreja Pejic on the runway, and
in print and media seems to contribute to – or at least coincide with – a broader, cultural and political mainstreaming of
transgender identity
. As there are
but few role models and spokespersons for the transgender community, their
visibility is literally of vital importance in raising awareness and advancing tolerance.

Unfortunately,
the current ‘trans model trend’ also has its downside. Many of the captions,
press releases, interviews, and statements appearing alongside all the
seemingly trans-friendly fashion imagery testify to a less trans-tolerant
climate, to say the least. LGBT (!) news site The Advocate, for example, blatantly notes that the ‘& Other
Stories’ campaign shows “that trans people are beautiful, too”, while Elle headed
that Pejic modelled for a beauty brand “And looks gorgeous doing it”.

As much as I
would love to believe that the recent success of the transgender model is the
definite harbinger of a more gender-diverse fashion industry, I can’t help but
notice the accompanying, stigmatizing discourse of the transgender model as an
‘object of curiosity’. Like Pejic, I nonetheless hope that the trans model trend will
turn out to be much more than just another case of cynical casting, clever
marketing, or fashion tokenism.  

– Lianne
Toussaint is a PhD candidate at the Department of Cultural Studies of the
Radboud University in Nijmegen. Her research is part of collaborative
NWO-funded project ‘Crafting Wearables’.

– IMAGE: Andreja
Pejic for Dossier, Issue 7, Spring
2011. Photography by Collier Schorr, Styling by James Valeri, Hair by Holly Smith,
Makeup by Ozzy Salvatierra, Shirts and Pants by Haider Ackermann: https://www.flickr.com/photos/nielleborges/6196657940/in/photostream/

By Timotheus Vermeulen

I enjoy the Indiana Jones franchise as much as the next
person. I mean, I grew up watching Indiana Jones films. As a ten year old, Indy
used to be my role model – topped only, perhaps, by Leslie Nielsen (you know, the guy of Naked Gun fame). However, as Anna
Kendrick’s recent spoof has made clear, the films aren’t what you’d call
progressive – and that’s putting it mildly, I’m afraid. 

The franchise’s attitude to,
well, everyone who is not a white, male, heterosexual American, I guess, is at
best unfortunate, but probably just offensive – I’m not speaking about Indiana
Jones’s attitude towards the Nazis, here, obviously; exploding heads and
melting faces is what they had coming for a long time. If the films value Arabs (often of
unspecified origin), Chinese, Indians or women at all – which they rarely do,
since they are mostly portrayed to be too busy sneaking around, poisoning
people, eating gigantic beetles, monkey brains and eyeball soup, or being
hysterical  – it is as the white man’s lesser
versions: less brave, less clever, less civilized, less strong. Indeed, the
franchise’s entire premise is that Jones saves these crippled creatures, from their
enemies as much as from themselves. 

Of the bunch, Temple of Doom is certainly the most cringeworthy, but Raiders of the Lost Ark is not without
its moments of embarrassment either: the one assertive woman, yes, the single
female with agency, reads like Death of a
Salesman
; all her endeavors end miserably, the spirits lifted only by the
arrival of … well you can guess…. It’s called Indiana Jones, not Jane. 

It may be obvious that my ‘enjoyment’ of
Indiana Jones is troubled, to say the least. It relies on nostalgia, though one
that is waning; on an appreciation of how its well structured, suspenseful
narratives made me feel way back when, increasingly marred by what its representations make
me endure today. My aim here is not to take away anyone else’s enjoyment of the
film, let alone berate you. Everyone is free to derive pleasure from whatever
he or she fancies. But perhaps, the next time you see a promotional poster/DVD cover that
features a white man wearing a noble explorer’s top hat, an adventurer’s torn shirt,
a cowboy’s pants and a gun for a penis whipping exotic foreigners and women
into submission, try and be aware of what it is exactly, that your enjoyment
consists of.