Happy New Year

image

door Edwin van Meerkerk

Het nieuwe collegejaar is begonnen. In de collegebanken bij
cultuurwetenschappen mogen we daarbij deze maand een record aantal
internationale studenten verwelkomen. Dit jaar startte namelijk de Engelstalige
variant van onze bacheloropleiding, waarnaast we sinds twee jaar ook al een
internationale master aanbieden. ACW Nijmegen gaat dus mee met de trend van
verengelsing van het Hoger Onderwijs waar de laatste tijd zoveel discussie over
is. Door twee opleidingen in het Engels aan te bieden kiezen we positie in dit
debat. Het is goed die keuze hier toe te lichten.
*

Critici vrezen dat onderwijs in het Engels schadelijk zou
zijn voor de talige ontwikkeling van de studenten. In plaats van op academisch
niveau te leren communiceren in hun moedertaal zouden ze aan het eind van de
rit noch in het Nederlands, noch in het Engels veel beter zijn dan de
gemiddelde scholier. Bovendien, zo wordt gesteld, beheersen docenten en
studenten het Engels onvoldoende om ook inhoudelijk het beoogde niveau te
behalen. Beide argumenten verhullen in mijn ogen de meerwaarde van het
internationaliseren van het Hoger Onderwijs.

Maar eerst de geclaimde nadelen. De uitdrukkingsvaardigheid
van afgestudeerden in hun opleidingstaal moet natuurlijk van hoog niveau zijn.
Onderwijs in het Engels moet daar dan ook voldoende steun aan geven. Onderwijs
is groeien in kennis, houding en vaardigheden – inclusief de beheersing van de
taal. Dat is geen vanzelfsprekend of natuurlijk proces. Zoals we de studenten
van de Nederlandstalige specialisaties ondersteunen in de ontwikkeling van hun
uitdrukkingsvaardigheid en hen daar bij werkstukken, tentamens en scriptie op
afrekenen, zo doen we dat ook bij het Engels. Dat is de taak van een opleiding,
en daar verandert niets aan wanneer de taal van de opleiding anders is –
hooguit is het startniveau van de taalbeheersing lager. Dat maakt de opleiding
moeilijk voor de student, maar daar is het een universiteit voor.

Het tweede argument, dat het inhoudelijke niveau van de
opleiding zou leiden onder het gebruik van een andere taal kan ook positief
worden geformuleerd: docenten in een opleiding die in het Engels wordt
aangeboden, moeten die taal tot in de puntjes beheersen. Dat klopt, en ook daar
is niets nieuws onder de zon. Van onze docenten wordt C2-niveau (near native) geëist
en wie daarna nog verdere ondersteuning in het geven van colleges of het
corrigeren van teksten nodig heeft, krijgt die van de faculteit. Kortom, een
opleiding in het Engels aanbieden is niet iets om lichtvaardig af te doen. Dat maakt
doceren moeilijk voor de docent, maar daar is het een universiteit voor.

Deze discussie over taalbeheersing en opleidingsniveau leidt
af van de reden waarom opleidingen overstappen op het Engels. De afgelopen twee
jaar hebben wij ervaren wat de meerwaarde is van het werken met een
internationale groep studenten. De diversiteit in culturele achtergronden is,
zeker voor een opleiding cultuurwetenschappen, van niet te overschatten
meerwaarde. (Universitair) onderwijs is idealiter meer dan een opleiding op een
bepaald terrein, het is ook een vorm van kritische zelfreflectie en de
ontwikkeling van metacognitieve competenties. De confrontatie met leeftijdsgenoten
uit, om mijn groep van verleden jaar als voorbeeld te nemen, Nederland, Rusland,
Indonesië, Canada, Mexico en Brazilië is een katalysator voor juist dat proces.
Dat vormt de studenten als mens, maar vooral ook als academici. Dat is niet
zozeer harder werken, maar meer leren, en daar is het een universiteit voor.

*) Deze blog is op persoonlijke titel geschreven. In het
Nederlands, ook al gaat het over het Engels, want het is een Nederlandse
discussie.

Afbeelding: de hoogleraren verzameld voor aanvang van de
opening van het academisch jaar 2016-2017. http://www.ru.nl/nieuws-agenda/nieuws/vm/2016/augustus/academisch-jaar-radboud-universiteit-start/

Edwin van Meerkerks zomerklassiekers

In de zomervakantie probeer ik altijd mijn achterstand in klassiekers in te halen en iets nuttigs te lezen en ook iets uit het land waar ik op vakantie ga, en verder vooral lekker laagdrempelige literatuur – zeg maar gerust pulp, maar dat is voor een science fiction-liefhebber niet zo’n kunst. In deze volgorde staan, deels digitaal, deels op papier nu vast paraat:

–       John Milton (1667) Paradise Lost.

Ik lees te weinig poëzie, te weinig religieuze literatuur, en te weinig oude boeken: drie vliegen in één klap.

–       Andy Field (2016) An Adventure in Statistics.

Ik ben niet zo van het harde rekenwerk, maar ik vind dat een alpha net zoveel bèta-literatuur moet lezen als bèta’s van ons soort volk ‘echte’ literatuur horen te kennen – bovendien is het door de vele illustraties bijna een graphic novel.

image


–       Peter Verhelst (2015) De kunst van het crashen.

Ik ga weliswaar naar Zeeuws Vlaanderen, maar er staan voldoende dagtripjes zuidwaarts op het programma om me te mogen laven aan het proza van Verhelst.

–       Lutz Seiler (2015) Kruso. 

Weer een herschrijving van Daniel Defoes klassieker, wat na o.a. literaire helden als Tournier (Vendredi) en Coetzee (Foe) van durf, zo niet overmoed getuigt, maar de recensies zijn veelbelovend.

–       Emily St. John Mandel (2014) Station Eleven.

Winnaar van de Clarke Award, dat is voor mij vaak al voldoende aanprijzing. En dan zou het ook nog eens lezen als poëzie, dat wordt smullen.

–       Robert J. Sawyer (2009) Wake.

Geen idee wat dit gaat worden, staat al een tijdje op de e-reader omdat het geshortlist was voor de Hugo Award. Spontane intelligentie ontwikkelt zich op het web, hmmm, we zullen zien.

–       Richard K. Morgan (2002) Altered Carbon.

Als iets als ‘hardboiled cyperpunk’ wordt geadverteerd dan ben ik er voor in!

Wat leest Roy Groen in zijn puptent deze zomer?

Door Roy Groen

Garth Risk Hallberg – City On Fire. Omdat je Netflix-account niet
overal werkt en je toch op de een of andere manier de avonden in je puptentje
op de camping moet doorkomen. Hallbergs roman lijkt met ruim 900 pagina’s wat
aan de lange kant, maar het geheel is gestructureerd als een moderne tv-serie,
en net als vijf seizoenen Breaking Bad of
Dexter is City on Fire voorbij voordat je er erg in hebt.

Marcel Proust – A la recherche du temps perdu. De zomervakantie is een goed
moment om dit monumentale werk dat zo’n 3000 pagina’s telt eindelijk eens te
lezen. Na de zomervakanties in je studententijd is de eerstvolgende gelegenheid
waarbij je genoeg tijd hebt om Prousts werk te lezen een periode van langdurige
werkeloosheid, of een aanstelling als literatuur professor.  

Richard Rorty – Contingency, Irony, and Solidarity. Al was het maar zodat je na
de vakantie is afgelopen net als Rorty op een overtuigende manier de namen van
Hegel, Kant, Darwin, Freud, Weber, Dewey, Heidegger, Putnam, Foucault en
Nietzsche zonder blikken of blozen in éen zin kunt gebruiken. En kunt uitleggen waarom ze
allemaal een beetje gelijk hadden, maar niet helemaal.

Hart Crane – The Bridge. The Bridge is een aaneenschakeling van
15 lyrische gedichten, die samen een ondoorgrondelijk epos vormen.  Alleen het openingsgedicht (Proem: To Brooklyn Bridge) bevat al meer
moeilijke woorden dan je prismawoordenboek telt, dus enig doorzettingsvermogen
is vereist.

Hannah Arendt – The Human Condition. Na het lezen van al die
boeken vraag je je misschien af hoe het eigenlijk met de menselijke soort
gesteld is. Hannah Arendt presenteerde bijna zestig jaar geleden een
spitsvondig antwoord dat nog steeds waardevol, verontrustend, en hoopgevend is.

Tom Idema’s reis door de literatuur

Door Tom Idema

John Steinbeck. East of Eden. Een geschiedenis van twee families in de Salinas
Valey in Californië die gedurende drie generaties met elkaar vervlochten raken
in de turbulente periode 1850-1950. Nobelprijs-winnaar Steinbeck weet als geen
ander het persoonlijke en het maatschappelijke met elkaar te verbinden.

Tom Lanoye. Gelukkige slaven. Razendsnelle roman van een van mijn favoriete
schrijvers in het Nederlandse taalgebied. Absurde gebeurtenissen en
ijzerstekere dialogen à la Tarantino.

Margaret Atwood. Maddaddam. Derde deel van de gelijknamige trilogie. Hoogstaande
post-apocalyptische fictie met veel vreemde wezens, waaronder mensen. Gewoon
science fiction dus, maar dat mogen we van Atwood niet zeggen. Taai maar fraai.

Jeff Vandermeer. The Southern Reach Trilogy. In ‘gebied X’ waar jarenlang van de overheid geen mens mocht komen,
schijnt de natuur terrein terug te winnen op de mens. Wat betekent dat precies?
Een frisse combinatie van science fiction, fantasy en horror.

Jonathan Franzen. Purity. De desintegratie van het gezin, de politiek van het
internet, en de vurige wens om meer te hebben dan de ander: Frantzen is een van
de scherpste observatoren van de hedendaagse Amerikaanse cultuur. De proza in
zijn meest recente werk is oppervlakkig en onorigineel, geheel in lijn met
vertwittering van de maatschappij. Dat leest dus lekker weg!

Mathijs Sanders gaat op vakantie en neemt mee…

Door Mathijs Sanders

1. Alexandr Poesjkin, Brieven.
Verzameld werk, deel 9
. Vertaling Hans Boland. Papieren Tijger 2016.

In 1999 verscheen het eerste deel van wat inmiddels het
tiendelige Verzameld werk van de
Russische schrijver Alexandr Poesjkin is. Vertaler Hans Boland – die de laatste
twee delen op 2 juni presenteerde aan de Radboud Universiteit – heeft een
meesterwerk voltooid. Kunstenaarsbrieven bieden de aangename illusie dat je op
de werktafel van de schrijver kijkt, of onder de motorkap van diens werk. Zelf
uit oudere vertalingen blijkt dat Poesjkin een virtuoze briefschrijver was. Ik
verheug mij erg op deze royale uitgave! 

2. Robert van Gulik, Het
spookklooster
. The House of Books 2015.

Met een groep Vlaamse en Nederlandse collega’s werk ik
aan een boek over Nederlandstalige publieksliteratuur in de twintigste eeuw.
Aangespoord door Dirk de Geest ben ik mij aan het inlezen op de naoorlogse
detectivefictie. De sinoloog en diplomaat Robert van Gulik is een geheel
vergeten schrijver, maar zijn serie over Rechter Tie – misdaadverhalen die zich
afspelen in het China van de zeventiende eeuw – was ooit immens populair. Voor
wie iets van die sensatie wil ervaren: begin met de roman Het spookslot uit 1962, die onlangs opnieuw werd uitgegeven.

3. Adrien Bosc, Morgenvroeg
in New York
. Cossee 2016.

Oud-studente Carlijn Brouwer – bij mij afgestudeerd met
een scriptie over Boudewijn Büch – vertaalde in opdracht van uitgeverij Cossee
de roman Constellation van de jonge
Franse schrijver Adrien Bosc: een avontuurlijk boek over de crash van het Air
France-toestel Lockheed Constellation op 28 oktober 1949, met aan boord de
bokskampioen Marcel Cerdan. Het was bijzonder om iets van het vertaalwerk van
nabij mee te maken (het wikken en wegen van woorden) en nu het resultaat te
kunnen lezen. ‘Elk verhaal, elke structuur is een kunstgreep’. Datzelfde kan
gezegd worden van elke vertaling.

4. Kamel Daoud, Moussa
of de dood van een Arabier
. Ambo/Anthos 2015.

Sinds de middelbare school ben ik onder de indruk van het
werk van de Franse schrijver Albert Camus, dit dankzij een geweldige docente
Frans. In Moussa schrijft de
Algerijnse schrijver Kamel Daoud terug naar Camus’ eerste roman, L’Étranger (1942) en geeft hij de
anonieme Arabier die in deze roman wordt doodgeschoten een naam, een gezicht,
een stem. ‘Vandaag is mijn moeder nog in leven’. Dat moeten we maar eens gaan
lezen in de mastercursus Europese Letterkunde!  

Wat leest Helleke van den Braber deze zomer?

Door Helleke van den Braber

Maddadam trilogy  – Margaret Atwood. (de
trilogie bestaat uit Oryx and Crake (2003),
The year of the flood (2009) en Maddadam (2013). Atwood zelf noemt
de Maddadam trilogie liever
“speculative fiction” en “adventure romance” dan science fiction en ik kan beamen
dat deze prachtige, bloedspannende en meeslepende romans weliswaar in een
dystopische  toekomst spelen maar
desondanks huiveringwekkend echt en nabij aanvoelen. Voor wie houdt van
superieur geconstrueerde page-turners.

image


Telegraph Avenue (2012),  Michael Chabon. Alles aan dit boek swingt, of misschien moet ik zeggen heeft swagger – de vloeiende, met slang
doorspekte taal, de setting (een rommelige platenzaak), de personages (die
acteur zijn in blaxploitation films, of muzikant, of verloskundige), de talloze
muziek- en filmreferenties… De roman is met enorme vaart geschreven en schiet
het ene idee(tje) na het andere op je af. Vermoeiend, misschien, maar leuk vermoeiend.

Just
kids
(2010), Patti Smith. Een must read voor wie ook maar een beetje geinteresseerd is in kunstenaarschap.
Smith vertelt in deze memoires over de jaren voordat ze doorbrak met het
protopunk album Horses (1976); jaren
waarin ze samenleefde met fotograaf Robert Mapplethorpe en samen met hem een
plek veroverde in de New Yorkse muziek- en kunstscene. Smith heeft een
aangenaam heldere en scherpe manier van vertellen en weet de (vaak excentrieke,
soms licht belachelijke) mensen om haar heen prachtig te typeren. In één adem
uitgelezen.

How to be a woman (2011)
– Caitlin Moran. Moran schreef jaren voor het muziekblad Melody Maker en vertelt met vaart en humor over haar ervaringen als
vrouw in een mannenwereld, of eigenlijk: als vrouw überhaupt. How to be a woman beschrijft, volgens de
Guardian, “situations so true to life
that you will howl in recognition. It is very, very funny (…) However, if you
are female, and particularly if you are a female under 30, then, tucked around
the jokes, Moran has provided you with a short, sharp, feminist manifesto.” Klopt.

Geschiedenis van een
leven
(in Nederland uitgegeven tussen 1967 en 1984) – Konstantin
Paustovsky. In zes prachtige delen vertelt Paustovsky over zijn omzwervingen in
het Rusland van een eeuw geleden. Deze lyrische autobiografie is zo beeldend
geschreven dat je je onderdeel voelt van de verdwenen wereld die Paustovsky
beschrijft: zijn kinderjaren in Kiev, de gruwel van de loopgraven van de Eerste
Wereldoorlog en de turbulentie van de Russische Revolutie – maar ook zijn
eerste liefdes en beginnende kunstenaarschap. Paustovski beleeft dit alles
intens – niet voor niets staan de zes boeken bekend als ‘een autobiografie van
de ziel’ eerder dan van gebeurtenissen. Ik las de boeken toen ik twintig was en
ze maakten een verplettterende indruk.

Judith Naeff leest de zomer door

Door Judith Naeff

image

Wie naar Parijs gaat deze zomer zou onmiddellijk Etel Adnans prachtige overpeinzingen moeten bestellen, getiteld Paris When it’s Naked – een verscheurde liefdesbetuiging aan de stad, geschreven vol compassie, wijsheid en poëzie. Wie niet naar Parijs gaat ook. Dan kun je gelijk de trein boeken voor de herfstvakantie.

China Miéville’s The City & the City is een spannende thriller die zich afspeelt in twee steden die strikt van elkaar gescheiden zijn maar dezelfde geografische locatie delen. Dit gedachte-experiment is ver gezocht maar zo consistent doorgevoerd dat Miéville erin slaagt onze suspension of disbelief tot het eind toe te rekken en ondertussen vragen op te roepen over hoe de detectives zoektocht naar de waarheid beperkt wordt door sociale blinde vlekken, politieke uitsluiting en de belangen van de staat en de bedrijfswereld.

Met Kamila. Het verhaal van mijn moeder (uit het Arabisch vertaald door Djûke Poppinga en in het Engels vertaald als The Locust and the Bird ) vertelt auteur Hanan Al Shaykh het levensverhaal van haar moeder. De literaire transformatie van Al Shaykh, die voor deze roman een totaal nieuwe toon aanslaat om de stem van haar analfabete moeder te benaderen; de ruimhartigheid die ze met deze roman tegenover haar moeder weet op te brengen ondanks de woede over haar ontrouw; de sociale veranderingen in Libanon die op de achtergrond spelen en de levenslustige omarming van de moderniteit, poëzie, de liefde en cinema door deze eigenzinnige plattelandsvrouw maken dit tot een geweldige roman.

Between the World and Me is het veelbesproken besproken boek waarin de auteur Ta-Nehisi Coates zich richt tot zijn zoon om hem uit te leggen wat het betekent om zwart te zijn in de Verenigde Staten vandaag de dag. Het leest als één lange bevlogen speech en weet bijna invoelbaar te maken hoe de constante blootstelling van de zwarte bevolking aan allerlei vormen van mogelijk geweld de Amerikaanse samenleving ontwricht.

De eloquentie en intelligentie van Zadie Smiths essays over literatuur, filosofie en het leven in Changing my Mind zijn om te smullen. Haar scherpe observaties krijgen diepte door haar reflecties die moeiteloos schakelen tussen theorie en intuïtie.

Wat leest Maarten Depourcq deze zomer?

Door Maarten Depourcq

Patrick
Modiano, Une jeunesse

Sinds Dora
Bruder
moet ik om de zoveel tijd een Modiano lezen. Hij schrijft steeds
hetzelfde boek, maar gelukkig ben ik steeds een ander mens wanneer ik een
nieuwe ter hand neem. Herinneringsarbeid op zijn scherpst.

Lize
Spit, Het smelt

Uit de selectie van de nieuwe uitgeverij Das
Mag, die als tijdschrift het afgelopen academiejaar ‘magazine-in-residence’ was
in onze master Letterkunde. Bij het begin van dat academiejaar was de Belgische
Lize Spit nog een absolute geheimtip, nu is haar boek klaar voor Hollywood. Ik
liep voor, loop nu achter en moet me dus haasten.

Orhan
Pamuk, Ik heet Karmozijn

Sommige boeken hebben iets onontkoombaars en
genadeloos. Sneeuw en Het museum van de onschuld van Pamuk
hebben dat. Duimen dat dit boek dat ook heeft.

Edmund Richardson, Classical Victorians: Scholars, Scoundrels and Generals in Pursuit of
Antiquity

Via levensverhalen van bekende en minder
bekende Victoriaanse figuren laat Richardson zien hoe de oudheid op soms heel
onorthodoxe wijze het leven van klein en groot heeft gevormd. Hij heeft een
geweldige pen, dus dit belooft een page-turner te worden.

Tom
Tirabosco et Christian Perrissin, Kongo –
Le ténébreux voyage de Józef Teodor Konrad Korzeniowski

image

Helemaal in de lijn van de biografische school
in de graphic novel: een stripboek
over Joseph Conrad en diens Heart of
Darkness
. En een hommage aan de studenten intertekstualiteit van afgelopen
jaar, die zichzelf helemaal hebben ingewerkt in de stripwereld. Ik doe lustig
verder. Het is niet voor niets geweest!

Eden is aan het verkalken

Door Tom Sintobin

image

In zijn studie Envisioning Eden. Mobilizing imaginaries in tourism and beyond
(2010) betoogt Noel Salazar dat het toeristische bedrijf eigenlijk kan worden
opgevat als een ‘beeldvormingsindustrie’: landen, volkeren, gebouwen en noem
maar op worden daarbij voortdurend met betekenissen opgeladen om ze
aantrekkelijk te maken voor bezoekers. Of beter: om ze ‘verkoopbaar’ te maken aan
bezoekers. Met de werkelijkheid hoeven deze beelden niet per se heel veel te
maken te hebben. Soms wordt er behoorlijk stevig op los gelogen. Onderzoek dat
Edward Bruner in zijn boek Culture
on  tour. Ethnographies of travel
(2005)
publiceerde, toonde bijvoorbeeld aan dat de Maasai die verbonden waren aan
Mayers Ranch in Kenia – een (inmiddels opgedoekte) toeristische attractie waar
je zogezegd in contact kunt komen met ‘the authentic wild’ – zich ertoe
verbonden om zich aan strakke kledij- en andere voorschriften te houden. De (blanke) uitbaatster ‘does not permit the
Maasai to wear their digital watches, T-shirts, or football Socks, and all
radios, Walkmen, metal containers, plastics, aluminium cans, and mass-produced
kitchen equipment must be locked away and hidden from the tourists’ view. […]
For performances the Maasai cloth must be solid red, not red and white like the
fabric they frequently wear when they are not on the job.’ (Bruner 2005, 58-59). Give the
people what the people want
, is het devies, en als mensen een primitieve
stam willen zien die buiten de tijd staat en er precies zo uitziet als op de
plaatjes in National Geographic-achtige
bladen, dan voer je er toch zo een op… Saillant detail: absurd veel plaatjes
uit die bladen werden, zo stelde Bruner vast, op deze site gemaakt.

Niet altijd is de beeldvorming zo frappant misleidend.
Praag wordt bijvoorbeeld systematisch als een romantische stad in de markt
gezet. Zo is het de eerste stad die Travelvalley.nl noemt in haar lijst van ‘de
vijf meest romantische steden van Europa’, met de volgende uitleg erbij: ‘Het
zijn de torentjes, de smalle straatjes en de gezellige pleintjes in Praag die
zorgen voor de romantiek. Nieuwbouw is in deze stad ver te zoeken en wanneer je
verliefd bent worden oude gebouwen ineens heel erg mooi. Smoorverliefde
stelletjes moeten dus naar Praag, om een muntje van de Karelsbrug in het water
te gooien, voor veel geluk en eeuwige liefde.’.
Die torentjes, straatjes, pleintjes en brug zijn er inderdaad, maar stelletjes
die denken dat ze een romantisch eenzaam momentje zullen kunnen beleven op de
fameuze Karelsbrug om een muntje in de Moldau te gooien, komen gegarandeerd van
een kale reis terug, want de brug wordt dagelijks overspoeld door horden
toeristen op zoek naar eenzaamheid. Zeggen dat de website liegt, gaat allicht te
ver, maar ‘maximally informative’ is ze toch ook allesbehalve – waarmee aan een
van de vereisten die de filosoof Paul Grice heeft geïdentificeerd voor een
geslaagde conversatie (maxime van kwantiteit – wees zo informatief mogelijk),
niet voldaan wordt. Iets soortgelijks is de Australische regering op dit
eigenste ogenblik aan het uitspoken.

Eén van dé trekpleisters van het land down under is het reusachtige Great
Barrier Reef. Volgens de cijfers die The
Guardian
publiceerde, was de toeristische industrie rond dit koraalrif in
2012 goed voor 64.000 jobs en een bijdrage van zo maar eventjes 5.2 miljard Australische
dollar. Dit unieke ecosysteem is er slecht aan toe, zo blijkt uit een
VN-rapport, want ongeveer de helft van rif lijdt aan ‘bleaching’ door de
klimaatopwarming en is dus dood of stervend. Of beter: zo had moeten blijken
uit een VN-rapport, want onlangs werd bekend dat het Australische Department of environment druk heeft
uitgeoefend totdat het hoofdstuk over Australië geschrapt werd. The
Guardian
: ‘Explaining the
decision to object to the report, a spokesperson for the environment department
told Guardian Australia: “Recent experience in Australia had shown that
negative commentary about the status of world heritage properties impacted on
tourism.”’ Het werkelijke Eden staat op instorten, of
liever, verkalken, maar zolang de toeristen met hun goedgevulde geldbuidels blijven
komen, blijft het imaginaire Eden trots rechtop staan. En als die stroom ooit
ophoudt, dan zien we wel weer. Misschien valt het maanlandschap dat dood koraal
heeft te bieden ook wel aan de man te brengen? Een nieuw beeld is zo gesmeed.

Interested in tourism and tourism studies, have a look at our highly rated international MA programme in Creative Industries

Prorail en de kunsten

Door Edwin van Meerkerk

image

De inkt van het vierjaarlijkse advies van de Raad voor
cultuur over de landelijke subsidies aan kunstinstellingen is nog nauwelijks
droog of de krantenberichten over de winnaars en verliezers buitelen over
elkaar heen. Tranen vloeien dit keer rijkelijk bij het Orkest van het Oosten,
bij De Appel en Het Nieuwe Instituut. Gejuich gaat op bij verliezers van
eerdere jaren die door de Raad ‘gered’ worden: Kwatta, het Metropoleorkest. Het
belangrijkste nieuws van dit advies blijft echter onderbelicht: de kritiek die
de Raad uit op het systeem van de Basisinfrastructuur. Daarin zit de angel van
dit advies.

Wat zegt de Raad hierover? De basisinfrastructuur, ingevoerd
in 2008, is ‘geen afspiegeling [meer]
van het voorzieningenniveau dat Nederland in de breedte nodig heeft.’ Om
in de metafoor van het bestel te blijven: de rails liggen op de verkeerde
plaats, en de treinen rijden niet meer op tijd. Dat het dringend noodzakelijk
is dat het stelsel wordt herzien werd in december al duidelijk, bij de nieuwe Erfgoedwet, die een
kerntaak van de Rijksmusea onttrok aan de vierjarige cyclus van de cultuurnota.
Dat roept op zijn minst de vraag op hoe dat zit met andere onderdelen van het
cultuurbestel.

De lakmoesproef voor een herziening van de culturele
basisinfrastructuur is de plaats van de landelijke ondersteunende instellingen.
In feite zijn zij de schakelpunten in de infrastructuur, het Prorail van de
kunsten, waar de producerende instellingen zorgen voor de treinen: de inhoud.
Waar je, naar analogie van het spoor, wel met enige regelmaat de dienstregeling
wil herzien en wil bekijken welke treinen vol zitten en welke niet, moeten
rails en stations langdurig op orde zijn. Dat vergt onderhoud, maar hun bestaan
zelf staat niet ter discussie. Zoals erfgoed in de nieuwe wet tot een
ministeriële verantwoordelijkheid wordt gemaakt die voor onbepaalde tijd aan
een instelling kan worden gedelegeerd, zo zou dat ook moeten gelden voor de
ondersteuningsstructuur van de culturele sector.

Na de kaalslag die ook op dit gebied vijf jaar geleden
begon, zijn er nog vijf ondersteuningsinstellingen die een aanvraag voor de
Basisinfastructuur hebben gedaan: Het Nieuwe Instituut, Digitaal Erfgoed
Nederland, de Boekmanstichting, Dutch Culture en het LKCA. Ook EYE heeft
verwante taken, en het is de vraag of een instelling als Cultuur+Ondernemen
niet in dit rijtje thuishoort. De disciplinaire kennisinstituten zijn
verdwenen, zoals de kunstdisciplines ook in de cultuurnota niet meer leidend
zijn. Bestond die vroeger uit hoofdstukken per discipline, nu legt de minister
de nadruk op sectoroverstijgende elementen: onderwijs, talentontwikkeling,
creatieve industrie, digitalisering, dialoog met de samenleving, bestel en
maatschappelijke meerwaarde. Het zou voor de hand liggen dat deze indeling
terug te zien is in de taakstelling van de ondersteunende instellingen.

Kortom, een toekomstbestendige basisinfrastructuur heeft een
kern van instituten die de uitvoerende, vierjarig gesubsidieerde instellingen
ondersteunen met kennis, advies en inzicht op de genoemde thema’s. De basis
daarvoor is er al: het LKCA voor onderwijs en talentontwikkeling, HNI voor de
creatieve industrie, DEN voor digitalisering, Boekman voor bestel en
maatschappelijke meerwaarde. Ook ondernemerschap (C+O) en internationalisering
(Dutch Culture) lijken onderwerpen die van belang zijn. Uit het advies blijkt
ook dat dit thema’s zijn die door afzonderlijke culturele instellingen niet
voldoende kunnen worden ingevuld. Zo verwijt de Raad de musea ondanks grote
inspanningen op het terrein van de educatie nog altijd gericht te zijn op de
eigen collectie en het eigen aanbod. Voor afstemming, doelgroepenbeleid en het
verwerken van actuele inzichten uit (wetenschappelijk) onderzoek is de bijdrage
van een kennisinstituut hierbij onmisbaar. Thema’s die vragen om onafhankelijke
spelers die kunnen bouwen aan een nationaal en internationaal netwerk, die
kennis kunnen opbouwen, delen en uitwisselen en zo de sector en de overheid
helpen bij het maken van onderbouwde keuzes voor de toekomst. En dat is een
taak die, zo maakt de vergelijking met de wereld van het spoor wel duidelijk,
beter een taak van de overheid is dan één die aan een marktpartij wordt
overgelaten.

Beeld via: https://i.ytimg.com/vi/9luu0dU27Hg/maxresdefault.jpg