Voor de kunst en voor elkaar (daarom gaan we naar het theater)

Door Helleke
van den Braber

image

Waarom gaan we naar het theater? Als we al naar het theater gaan? Het
antwoord op die vraag verschilt van persoon tot persoon zou je zeggen, en
anders toch zeker van
groep tot groep
. Fervente theatergangers zoeken iets anders dan sporadische
bezoekers, toneelliefhebbers willen andere dingen dan cabaretfans, onder de
dertig wil iets anders dan boven de vijftig. En uiteraard wil elite iets anders
dan massa.

Het grote publiek heeft moeite de weg naar de
schouwburg te vinden, en neem ze dat eens kwalijk. Het theater is al eeuwenlang
niet hún domein, maar plek van samenkomst van een (soms smalle, vaak bredere)
laag cultureel
geinteresseerden
. Zij kopen de kaartjes en vullen de zalen, en bezorgen de
schouwburg daarmee niet alleen geld, maar vooral ook draagvlak, waardering en
aanzien. Daarom komen cultuurliefhebbers graag in het theater; het grote
publiek haalt over het algemeen z’n schouders op.

Is dat erg? Je zou denken van niet. Zo gaat
het al tijden. Maar de subsidies
lopen terug
, de kaartjes worden duurder en de
zalen blijven leger
. Dat leidt inmiddels tot flinke paniek in de
schouwburgen. Zo liet Stadstheater Arnhem (al in bedrijf sinds
1865
) vorige week weten het vervelend te vinden dat veel Arnhemmers het
aanbod in de schouwburg als “artistiek
en elitair
” bestempelen. “We moeten alles doen om het tij te
keren”, meent programmeur Evelien ter Ellen. Daarom richt de programmering
zich voortaan “op een breed publiek”.

Dit nu lijkt me een denkfout. Dat brede
publiek weet al sinds de oprichting in 1865 de weg naar de schouwburg niet
te vinden
, en daar zijn enkele goede redenen voor. Want wat zoeken mensen
in het theater? Twee dingen die voor de massa veel minder relevant zijn dan
voor de elite. Ze zoeken namelijk kunstbeleving en elkaar.

Voor bezoekers is de schouwburg allereerst een
plek om aansprekende culturele ervaringen op te doen – te worden uitgedaagd,
geprikkeld, geirriteerd, geamuseerd, getroost, bevrijd of wat voor effecten
podiumkunst ook maar heeft op een mens. De theaterzaal als fysieke plek van
samenkomst is ultiem geschikt om cultuur collectief te beleven en te ervaren. De
schouwburg is, en dat is cruciaal, vooral ook een sociale arena, waarin mensen
zich met elkaar kunnen verbinden, zich in elkaar kunnen herkennen, en zich
gezamenlijk kunnen onderscheiden van iedereen die niet naar het theater gaat.

De Franse socioloog Pierre Bourdieu benadrukt
de grote samenbindende en identiteitsbevestigende kracht die daarvan uitgaat en
noemt het distinctiedrang; het
(buitengesloten) grote publiek heeft het liever over elitarisme. Feit is dat
het theater eeuwenlang zijn relevantie
heeft behouden juist vanwege die krachtige combinatie van artistieke inhoud,
sociale bindingskracht en een door makers en publiek gezamenlijk beleefd geloof
in de waarde van kunst.

Elitarisme en artisticiteit zijn dus geen
bedreiging, stadstheater Arnhem, maar unique
selling points
die omarmd en gekoesterd moeten worden. Ze zijn wat jullie
al sinds 1865 groot heeft gemaakt en hebben bovendien volop potentie om dat ook
tot ver na 2065 te blijven doen. De krachtige waardetoekenning door een (brede)
groep cultuurliefhebbers is jullie levensader en dat tij moet helemaal niet
gekeerd, maar juist opgestuwd.

Hoe? Niet door op zoek te gaan naar nieuw
publiek dat zich niet herkent in wat het theater te bieden heeft, maar door te
zorgen dat je relevanter en aantrekkelijker wordt voor wie altijd al kwam. Dat
publiek zul je vervolgens wel moeten verjongen –  niet door te verplatten en te versimpelen,
maar door nieuwe
vormen
te vinden om je inhoud te presenteren, door slimme keuzes uit het
theateraanbod te maken (en die als curated content aan te bieden) en vooral door ruimte te bieden
aan de ingebakken behoefte van je publiek aan onderlinge
identiteitsbevestiging, herkenning en erkenning. Geef de mensen die in het
theater geloven een valide plek om dat geloof gezamenlijk te beleven. Dáárom
gaan ze immers naar het theater: voor de kunst en voor elkaar.

Met dank aan Rocco Hueting

Beeld: Pixabay

Blasted by sounds

by Vincent Meelberg

image

Music has the potentiality
to move us, sometimes quite literally so. It incites us to dance, triggers emotions,
or helps us remember. Music simply makes us feel something. Listening to music
is not only a mental activity, but a physical one as well. This is not only
noticeable when one listens to very loud
music
. Soft music can have
a similar impact as well. Yet, there are people who claim that music does
nothing to them. They believe to be insensitive to the moving powers of music. 

As of today, it might be more
difficult to sustain that claim. Salk Institute scientists have found a way to control the brain
cells of a tiny nematode worm through ultrasound.
No devices needed to be attached to the poor creature; it was all done by
simply blasting ultrasonic waves to the worm. Through these sound bursts the
scientist were able to change the worm’s direction. Neural activity thus was
triggered from a distance, by using sounds that penetrate the worm’s body. The
scientists expect that it will eventually also be possible to do this with
larger animals, including humans. 

The intrusive powers of
music and sound isn’t a recent discovery. Steve Goodman, also known as Kode9, for instance, wrote
an excellent book on sonic warfare. And one only needs
to stand in an elevator and listen to the
music played there
to realize how
intrusive, and nerve wrecking, sound and music can be. The fact, however, that
sound can literally change our physical constitution and manipulate and control
our movements does seem to make the claims regarding the influencing powers of
music on consumers, as articulated by companies such as Mood Media,
much more believable, and a bit scary as well…

Image by https://www.flickr.com/photos/76999192@N06/ via https://flic.kr/p/ezQdZm under creative commons.

Hyper-identiteit

Door Edwin van Meerkerk

Kunst draait om identiteit en authenticiteit. Een zangeres
legt haar ziel in een lied, een acteur geeft zich bloot op het podium, zo wil
het cliché. Juist daarin schuilt, zo menen velen, het verschil tussen hoge en
lage kunst. In de populaire cultuur is die authenticiteit gespeeld, gaat het
niet om identiteit, maar om imago. Zo bezien rekt de populaire peuterpopgroep
K3 de grenzen van de popmuziek weer een stap verder op in het nieuwe
televisieprogramma K3 zoekt K3 (VTM / SBS6). In deze talentenjacht
maken jonge Nederlandse en Vlaamse meisjes kans om in de voetsporen te treden
van deze uiterst succesvolle meidengroep. Is daarmee de fundamentele leegheid
van de populaire cultuur definitief bewezen?

image

Autoriteiten

Het programma K3 zoekt
K3
is een hypermoderne potpourri van vorm en inhoud. Vrolijke peuterpop
wordt gebracht in een volwassen setting, die volstrekt ongeschikt is voor de
muzikale doelgroep. Nauwelijks verhulde toespelingen op de seksuele relaties die bedenker en manager Gert Verhulst had met twee van de drie dames, maken, nog los van het tijdstip van de
uitzending, dat het programma duidelijk niet gericht is op de fans, maar op het
brede televisiepubliek dat van talentenjacht naar talentenjacht zapt.

Die wereld van talentenjachten is iconisch voor het
afgelopen decennium. Iedereen kan een ster worden, iedereen wíl een ster
worden. De dominantie van het genre zorgt ervoor dat een aantal patronen in
onze culturele wereld verder inslijten, patronen die soms al lang verdwenen
leken, maar die soms ook hier hun definitieve doorbraak beleven. De
ongenaakbare autoriteit van de jury en de dominantie van het (geseksualiseerde)
uiterlijk behoren tot de eerste categorie. De sterk meritocratische manier
waarop afvallers aan de kant worden gezet en de eis van succesvol en talentvol
zijn tot de tweede. Het is maar goed dat de peuters hier niet naar kijken.

Transformatie

Nog interessanter wordt het als we naar K3 zelf kijken. K3 zoekt K3 is niet het eerste
reality-programma rond de groep. Een paar jaar geleden nog zocht ‘K2’ naar ‘K3’ en werd de Nederlandse Josje gekozen als vervangster voor een van de drie
oorspronkelijke groepsleden, Kathleen. Zonder problemen nam ze de rol over, oude
nummers werden op een nieuwe verzamel-cd ingezongen met exact hetzelfde arrangement,
zodat alleen een trouw fan en geoefend luisteraar het verschil kon horen. Het
enige wat veranderde was de naam van
de blonde zangeres.

Nu is het vervangen van een bandlid door een ander geen
onbekend fenomeen,
maar het vervangen van een complete groep is nog niet eerder vertoond – zeker
niet met de pretentie dat de groep zelf
niet veranderen zal. Sterker nog: het zijn de meisjes die zullen veranderen. Bedenker,
eigenaar en manager Gert Verhulst stelt het in de uitzending met zoveel
woorden: wie wordt verkozen zal haar oude leven achter zich moeten laten en
beginnen aan een nieuw (en “gegarandeerd succesvol”) leven. Daarbij gaat het
niet om uiterlijk, maar om de ‘K3 factor’, aldus Verhulst, die voorts geen
blijk geeft van enige gêne bij het beoordelen van het uiterlijk van de dames.

Simulacra

Daarmee vormt K3 zoekt
K3
als het ware het sluitstuk van het tijdperk van het postmodernisme,
waarin alle culturele uitingen transformeerden in simulacra, tekens die niet
meer naar een achterliggende werkelijkheid verwezen, maar alleen nog maar naar
zichzelf. In die hyperrealiteit (de termen komen van de Franse cultuurfilosoof
Jean Baudrillard)
is alles schijn. Gert Verhulst is erin geslaagd nu ook de menselijke identiteit
tot een hyper-identiteit te transformeren, een identiteit die niets meer te
maken heeft met de persoon die hem draagt. Wie de drie winnaressen worden, is
volstrekt irrelevant. Ze zullen namelijk K3 zijn.

Touching the surface

By Vincent Meelberg

Touch might be the most important sense we
human beings have. Touch puts us in direct, constant contact with the outside
world. And perhaps that might be the reason why this sense is so problematic.
Touch implies intimacy and closeness, and these are phenomena that the
(Western) world finds increasingly difficult to cope with. On the one hand, we
are no longer sure when it is appropriate to touch someone. On
the other hand, however, the temptation to touch is always present. This is one
of the reasons why New York City Assembly Speaker Carl Heastie and Chair of the Task
Force on Women’s Issues Aravella Simotas
recently announced the passage of
legislation
 to assure that a sentence of up to one year of
imprisonment may be imposed for a person “who makes inappropriate physical contact with
another person while traveling on a mode of public transportation.” Apparently people are so eager to touch others, even without consent, that they need a law to hold them back.

Yet, as many studies have shown, physical contact between human beings – provided it is mutually agreed upon – is vital. Physical contact and reassurance will make
people more secure and better able to form relationships. David J. Linden, a neuroscience professor at
Johns Hopkins University School of Medicine and the author of Touch: The
Science of Hand, Heart, and Mind
adds during an interview in The Atlantic: “More
than anything else, what touch conveys is ‘I’m an ally, I’m not a threat.
Touch puts the recipient in a trusting mental state, and anything you can do to
encourage the student to trust the teacher is going to make learning
better.“ And let’s face it: it is often simply very enjoyable to be
touched and to touch someone else.

  

Interestingly, the way we interact with
non-human entities is increasingly through direct touch as well. Until a few
years ago the way we interacted with phones and computers was by pushing
buttons. And while pushing implies touching too, this interaction remained very
indirect. One never really had the sensation of literally touching the
information that was being manipulated by the touching of buttons. All this
changed with the introduction of the iPhone. One of the reasons this device became such a huge
success was its user interface. Instead of trying to hit the correct tiny
physical buttons in order to write an email, for instance, suddenly the user
could type directly on the screen and had the possibility to literally touch
the Internet via multi-touch. It indeed was a magical experience, as Steve Jobs
liked to stress over and over again.

  

Nowadays, most phones use multi-touch, and
tablets such as the iPad could not have existed without this technology. So,
what does the fact that we have no problem touching the surface of our devices,
but are very reluctant to touch another person, say about Western society? Have
we arrived at a stage where we are more comfortable
being intimate with our phones than with human beings? When we take into
account that we use these devices to communicate with other people and that
direct personal contact is gradually being superseded by these mediated forms
of communication, the pessimistic conclusion might be that direct interpersonal
relations are indeed becoming increasingly rare, and therefore touching someone
may become the exception rather than the rule.

  

I think I need a hug…

Bussemaker zet cultuureducatie op de eerste plaats. Toch komt er geen euro bij.

Minister Bussemaker maakt van cultuureducatie beleidsprioriteit nummer één. De vlag, zo is overal te lezen, kan uit! Maar op meer geld hoeft de sector echter niet te rekenen, stelt Edwin van Meerkerk, universitair docent Algemene Cultuurwetenschappen aan de Radboud Universiteit Nijmegen. “Er komt geen euro bij”. Ook blijft er volgens hem onduidelijkheid over de inhoud van cultuuronderwijs. Hij adviseert de sector na de eerste vreugde nog eens goed na te denken. Lees hier zijn hele betoog. 

Bussemaker zet cultuureducatie op de eerste plaats. Toch komt er geen euro bij.

De moppende moraalridder

Door Maarten de Pourcq

image

Voor de liefhebber
gebeurt het in een flits: een gewrongen stafrijm in de titel, dit moet over Suske en Wiske gaan! Samen met Asterix en Kuifje behoort de reeks tot de meest gelezen strips in de Lage
Landen. In tegenstelling tot die eerste twee heeft Suske en Wiske evenwel nauwelijks aandacht gekregen als onderwerp
van onderzoek. Vele generaties jongeren hebben nochtans met de rode albums het
plezier van het leren lezen ontdekt. Begonnen in een televisie- en internetloos
1945 heeft Suske en Wiske zelfs gezorgd
voor de verspreiding van een door het Vlaams gekleurd standaardnederlands. De
stripreeks speelde daarom, samen met radio en krant, een niet te onderschatten rol
in de ontwikkeling van de Vlaamse tussentaal. De meeste interesse van critici
en onderzoekers ging tot dusver dan ook uit naar de taal die Willy Vandersteen zijn figuren
liet spreken.

Curiositas

Toch leerde je als
Vlaming via Suske en Wiske niet
alleen je eigen taal, maar ook je eigen land kennen. Zo geraakte ik als
tienjarige dankzij het album De Tartaarse
helm
in de ban van het oude Brugge. Op een verloren zondag troonde ik mijn
familie mee naar wat in het album ‘het Venetië van het Noorden’ wordt genoemd. Willy
Vandersteen had een grote voorliefde voor geschiedenis als thema, waardoor de lezer
bijna ongemerkt een basispakket historische kennis én nieuwsgierigheid meekrijgt.
Menig quizvraag heb ik kunnen beantwoorden dankzij Suske en Wiske. Wel duurde het even alvorens mijn leraar
geschiedenis mij wist te overtuigen dat er in de tijd van de Romeinen geen
dinosaurussen meer leefden, contra De
nerveuze Nerviërs
 
(zie ook de verfilming). Ach, oud + oud = oud, toch?

De tijdreis

In de eerste albums
was het niet zo vanzelfsprekend voor Vandersteen om een verband te leggen
tussen de eigentijdse avonturen van onze
helden en het (vaak regionale) verleden dat hem zo inspireerde. In Het eiland Amoras is het
zestiende-eeuwse Antwerpen bewaard gebleven op een eiland in de Stille Zuidzee.
In Lambiorix helpt een druïde een
handje om Lambik, een nazaat van koning Lambiorix, over te hevelen van de
moderne tijd naar die van de Oude Belgen. Dat Vandersteen soms moeite had
verteltechnieken te ontwikkelen om door de tijd te reizen binnen één album
blijkt uit Het geheim van de gladiatoren.
Daarin leven Suske en Wiske in de tijd van Nero en wordt dus voor de duur van
één album het eigentijdse leven van onze helden weggewist. Vanaf De tuf-tuf-club wordt de toegang tot het
verleden mogelijk gemaakt door een eenvoudig instrument: de teletijdmachine van
professor Barabas. Het apparaat stelde Vandersteen in staat op eender welk
moment in het verhaal door de tijd te reizen en er werd dan ook veelvuldig
gebruik van gemaakt.

Moderniteit…

Het principe van de
tijdreis heeft een stempel op de hele reeks gedrukt en je kan je afvragen
waarom dat verleden zo belangrijk was voor Vandersteen. Suske en Wiske leven in
een modern Vlaanderen en de albums bulken van de referenties aan eigentijdse
gebeurtenissen en problemen. Vooral de figuur van Lambik wordt ingezet om stem
te geven aan de verzuurde burger die minder belastingen wil betalen, de
politiek en de politie wantrouwt, en altijd van mening is dat de zeden
verwilderen. Hij is een mopperende moraalridder die ook in de andere figuren
van Vandersteen echoot, zelfs in ondernemend en ondeugend Wiske. Hierdoor wordt
een behoudsgezinde maatschappijvisie gecommuniceerd die de moderniteit steevast
ter discussie stelt. Maar gezien het belang van de eigen tijd, vanwaar die nood
om extra tijdlagen toe te voegen aan het leven dat Suske en Wiske in het moderne
Vlaanderen leiden?

…en verleden

Naast een
historisch kader zorgt de stripreeks ook voor een specifiek soort historisch
bewustzijn,  voor een welbepaalde visie
op de rol van geschiedenis in ons leven en in onze cultuur. Door de tijd reizen
is zinvol, omdat het onze helden toelaat sluimerende of aanslepende
ongerijmdheden, trauma’s of gebreken op te lossen. In het heden leeft het
verleden door. Vanwege die veronderstelde continuïteit kunnen problemen in het
heden die voortkomen uit het verleden, worden opgelost – hetzij in het heden
hetzij door terug te keren naar dat verleden. Zo vliegen in Beminde Barabas onze helden terug naar
de zeventiende eeuw om een vloek ongedaan te maken die een naaistertje heeft
veranderd in een modelpop. In De nerveuze
Nerviërs
ontbloten mijnwerkers ongewild een grot waarin ooit antieke
bosgeesten waren opgesloten. Zij verstoren gezinnen doordat ze de mannen aan
het gokken en het drinken brengen. De teletijdmachine wordt ingezet om de boosaardige
geesten onschadelijk te maken en de instelling van het gezin te redden. De
humor van dit album zit voor een deel in de projectie van een moderne
burgerlijke opvatting over het gezin op de oudheid, maar die (steevast genderstereotiepe)
humor bevestigt alleen maar hoe cruciaal het gezin is als hoeksteen van de
samenleving. Laatdunkende grapjes over bewegingen zoals mei ’68 of de nozems (de
hangjongeren van de jaren vijftig) zijn in deze stripreeks legio. We krijgen
met Suske en Wiske dus niet alleen
een taal en een historisch kader, maar ook een heuse burgerlijke moraal mee.

Big Society

Het is paradoxaal
dat onze helden de waarde van het gezin verdedigen zonder zelf een gezin te
zijn of een gezin te hebben. Maar daarin schuilt precies de kracht van dit
collectief, want het functioneert zoals
een gezin zou functioneren. Het is een crypto-gezin met tante Sidonia als
moeder, Suske en Wiske als broer en zus, en Jerom en Lambik die elk een deel
van de vaderrol op zich nemen. Het is een symbolisch gezin dat veel beter dan
bijvoorbeeld de politie in staat blijkt te zijn om over de samenleving te waken.
De politie is een door de staat georganiseerde dienst, met allerlei uitwassen
tot gevolg (vakbonden, schaftijd, hiërarchie,…), terwijl ons collectief een
organische of ‘gegroeide’ samenhang kent, waardoor ze voor elkaar en voor
anderen door het vuur durven gaan. Ook hierin speelt het verleden een
belangrijke rol. Zoals we in Lambiorix
terugkeren naar een voorvader van Lambik, zo doen we dat in De nerveuze Nerviërs naar een voorvader
van Jerom. In het reeds genoemde Het
eiland Amoras
leeft Suske in Amoras, dat in de zestiende eeuw werd gesticht
door de Antwerpse kapitein Sus Antigoon, waarvan Suske een nakomeling is:
vandaar zijn naam. Ons collectief heeft dus een stevige voet in het verleden en
het is zaak dat verleden te koesteren: om je eigen bestaan te begrijpen maar
ook om je eigen bestaan te redden. Doen alsof dat verleden nu niet meer van tel
is, is verzaken aan de gegroeide samenhang, ook al heeft die vaak nog
correcties nodig. De boodschap hier is dat fundamenteel breken met het verleden
betekent dat je fundamenteel breekt met jezelf. Dat levert een trauma op, maar gelukkig
is die breuk niet onherstelbaar: onze helden staan immers paraat om dat met een
fout mopje en de kracht van het collectief voor jou op te lossen.

Beeld via https://flic.kr/p/6GCw7d onder creative commons

Advertenties, abonnees en de ontdekking van ‘objectief’ nieuws in de 19de eeuw.

Promovendus Thomas Smits vraagt zich op zijn blog

19thcenturyillustratedworld:

af wat 21ste eeuwse kranten van hun 19e eeuwse voorgangers kunnen leren over abonnees, adverteerders en paywalls.

Kranten hebben vorig jaar wereldwijd voor het eerst meer
verdiend met abonnementen en losse verkoop dan met reclame, blijkt uit een
onderzoek
van de internationale kranten organisatie WAN-Ifra naar de financiering
van geschreven nieuwsmedia. Opvallend zijn de woorden ‘voor het eerst’. Het
grootste deel van de negentiende eeuw – de eeuw waarin niet alleen de huidige
vorm van de krant maar ook van ‘het nieuws’ als concept ontstond – waren lezers
immers belangrijker voor de financiering van de krant dan advertenties. Dat er
een omslag plaatsvond naar advertenties als belangrijkste inkomstenbron, stimuleerde
volgens veel historici het ontstaan van het moderne begrip van nieuws en de beroepsethiek
van de journalist. Wat kan negentiende-eeuwse geschiedenis ons leren over de
toekomst van nieuwsmedia in onze eigen tijden?

Verder Lezen…

Shaping Ships

By Laszlo Muntean 

Walking along London’s Victoria Embankment one cannot help
but notice a UFO, in this case an unidentified floating object. Upon closer
inspection (and use of reason) the object reveals itself as a ship featuring a
variety of forms and colors painted all over its hull and superstructure. The
ship is the HMS President, built in
1918, and covered with “dazzle painting” by German artist Tobias Rehberger in
July last year.

image

Besides the HMS
President
two other ships have received similar treatment by renowned artists
Peter Blake and Carlos Cruz-Diez as part of the commemorations of the 100th
anniversary of World War I. For dazzle painting is a type of camouflage used
primarily by the British and the American navy during the Great War.

If camouflage is meant to conceal an object, how can
something so spectacular serve this purpose? Indeed, dazzle painting is the
opposite of camouflage that allows an object to blend into its environment. With
the growing threat of submarine attacks navy officials soon realized the
impossibility of concealing any vessel at the high seas. What seems like a
counterproductive attempt at camouflage, the role of dazzle painting was
nothing else but to disrupt the shape of a ship so as to make it difficult to
identify its size, speed, and course.

By no means a surprise, many Cubist artists soon found
themselves in the ranks of the navy, the army. Paul Klee, for instance, painted
camouflage on German airplanes, while the English vorticist Edward Wadsworth produced
a series of paintings depicting dazzle painted ships in harbor, drawing on his
wartime experience as a camoufleur.

image

Whether the patterns that they designed had ever
managed to dazzle the eyes of the enemy is debatable. By World War II, with the
advance of aerial warfare, the heyday of dazzle painting was already over. For
an in-depth study of the subject consult the works of professor of graphic
design Roy Behrens, who has written extensively on the intersections of art and
camouflage. The trend known as “Razzle Dazzle,” however, rolled on into the
roaring ‘20s in the form of fashion. The June 15, 1919 issue of the New York Tribune, for instance, features
a photograph of three women wearing dazzle-patterned swimsuits as “the newest
things”.

With Rehberger’s re-shaping of the HMS President dazzle painting has
acquired a commemorative function. His design is, however, more intricate than the
ones suggested by photographs of the same ship in 1918. What appears as a maze
of pipes and ducts seems to expose the ship’s interior from multiple
perspectives. David Kew’s short film Dazzle
Ship London
uses Rehberger’s project as a platform to delve into the
interrelation of art and camouflage. In its dazzling appearance the ship can be
visited until 31 July 2015.  

Image credits: via http://en.wikipedia.org/wiki/HMS_President_(1918)#/media/File:HMS_President_Dazzle_2.jpg and http://en.wikipedia.org/wiki/Edward_Wadsworth#/media/File:Dazzle-ships_in_Drydock_at_Liverpool.jpg

A Hollow Victory for the arts

By Rutger Helmers

image

I don’t know how many of you follow
operatic life in Novosibirsk, Russia, but I know I have been, lately. This February,
a local production of Wagner’s Tannhäuser
in Russia’s third largest city became the focal point of fierce debate when
promising young director Timofey Kulyabin and the manager of the Novosibirsk
Opera Boris Mezdrich were charged of ‘intentional public desecration of objects
of religious worship,’ following a law introduced in 2013 – shortly after the
Pussy Riot trials – intended to protect the ‘feelings of believers’. The case
appears symptomatic for the influence of the Orthodox Church in Russian state
policy in recent years, as well as the authorities’ tightening control over
various media, which now apparently also affects opera.

The law in question, which is not very
clear in its definitions, may have implications for many fields of culture and
society. I was confronted with it myself some time ago, when I requested
permission to use a nineteenth-century image from a Russian archive, and was required
to confirm that I would do so without any ‘slogans related to the realization
of extremist or terrorist activity’, without ‘any attributes or symbols similar
to Nazi attributes’, without employing ‘the state symbols of the Russian
Federation (the state coat of arms, flag, and hymn)’, and finally, ‘without
offending the feelings of the faithful.’ It was the last clause that worried me
the most: it was a promise that seemed almost impossible to keep given the
sheer number of people subscribing to one religion or another.

The feelings of believers, of course, have
been very much on our minds lately, since the horrible attack on Charlie Hebdo in Paris. And it seems the
contemporary debate about the freedom of expression is inextricably mixed up
with the notion of terrorism, as opponents of Kulyabin’s Tannhäuser invoked the Charlie
attacks to press their case. Duma member Yaroslav
Nilov
, who heartily supported the prosecution of Kulyabin and Mezdrich,
argued that this would serve to deter others from following their example, and
insinuated that their behaviour might otherwise ‘foster the desire to seek
retribution and commit terrorist acts’ among the hurt believers.

Kulyabin’s production was of the kind often
decried as director’s theatre by conservative operagoers: Wagner’s opera was
given a contemporary setting in which the eponymous hero Tannhäuser was represented
as a film director shooting a movie called Venus’s
Grotto
about the early life of Jesus, which involved both religious imagery
and nudity. The production, it appears, was well received by audiences and the
press, until the Novosibirsk metropolitan Tikhon filed a complaint, claiming he
had received many reports from shocked members of his congregation. Several
thousands of Orthodox activists took to the streets, demanding that the
authorities would respect their feelings, artists throughout Russia rallied for
support of Kulyabin and Mezdrich. The affair is reminiscent of recent
controversial productions elsewhere, like the Düsseldorf
Tannhäuser
in 2013, which was rife with Holocaust-imagery, or the
Metropolitan Opera’s staging of John Adams’ The Death of Klinghoffer last October, which its opponents
denounce as anti-Semitic and pro-terrorist. But as far as I know, in neither of
these cases did the director risk a three-year jail sentence. Could it be, I
wondered, that an opera performance would acquire the same resonance as Pussy
Riot’s punk-rock provocations?

Eventually, on March 10th, the Novosibirsk
court decided to drop the case against Kulyabin and Mezdrich, and the affair
seemed to end well for the proponents of artistic freedom. It was a hollow
victory, however, as the Ministry of Culture responded by sacking Mezdrich. The
Ministry is struggling to maintain a neutral stance and called for the Orthodox
activists to cease their public protests; at the same time, however, Putin’s
press officer Dmitry Peskov
declared that the state had the right to expect that productions by subsidized
collectives ‘would not cause such an acute reaction from public opinion’.

The dust hasn’t settled just yet. This
week, a stand of the Novosibirsk Opera was found vandalized with the text ‘For
Tannhäuser’, and critics continue to question the government’s position: if the
Ministry of Culture is in fact opposed to censorship, they ask, why would they
continue to put the screws on the arts?