Waar schrijvers thuis zijn


Over De jongste zoon (2014) van
Bart Meuleman en Kind van de
verzorgingsstaat
(2016) van Rob van Essen

door Maarten DePourcq

image

De Vlaamse auteur Bart Meuleman
(1965) en de Nederlandse auteur
Rob van Essen (1963) groeiden op in een wereld
die niet meer bestaat. Daarover schreven ze elk onlangs een boek. Deze twee
boeken bevatten zoveel overeenkomsten dat de verschillen des te frappant zijn. Beide
schrijvers groeiden immers op in de jaren zeventig en tachtig in de provincie,
en kwamen terecht in de grootstad, waar hen een vage maar daarom niet minder dwingende
artistieke roeping wachtte. Beiden ondervonden ze aan den lijve de spanning
tussen hun leefwereld en het opkomende socialisme. Beiden onderzoeken ze mede
daarom in hun boek de moderne architectuur, waarbij nieuwe, sturende en niet
zelden utopische ideeën over samenleven de basis legden voor al dan niet
ambitieuze nieuwbouwwijken. Van Essen woonde in zo een wijk, Meuleman niet.
Misschien ligt daarin het fundamentele verschil tussen deze twee boeken verscholen.

Beide boeken worden verteld door
een ik, maar Meuleman doet dat in de tegenwoordige tijd, Van Essen in de
verleden tijd. Dat levert meteen een belangrijk contrast op: bij Meuleman beleven
we de frictie tussen het nu en het toen, bij Van Essen voelen we de afstand. De jongste zoon presenteert zichzelf als
een roman, Kind van de verzorgingsstaat
als een memoire. Het laatste boek is dan ook vooral een terugblik op een manier
van leven die in het huidige politieke bestel nagenoeg ondenkbaar is geworden,
of waarvan we stilaan in de eindtijd zijn geraakt: de verzorgingsstaat. Een
groot sociaal vangnet stond klaar voor al wie zich niet meteen thuis voelde in het
burgerleven. “Lummelen met een uitkering”,
zoals een vooraanstaande krant als NRC het verwoordt. Dit soort taalgebruik
speelt uiteraard in de kaart van de neoliberale politici die vandaag de touwtjes
in handen hebben en ons vooral met grote huiver willen doen terugdenken aan die
verzorgingsstaat. Van Essen doet daaraan, niet helemaal ongewild, mee en
plaatst daardoor, niet geheel onterecht, vraagtekens bij het wijdverbreide sociaaldemocratische
gedachtegoed van die tijd. Wel krijg je spontaan nóg meer sympathie voor de
huidige generatie jongeren die met een fikse studieschuld hun werkleven aanvatten.

Van Essens personage is een
participant, iemand die zich flexibel en bijna geruisloos laat meeslepen in de
vaart der dingen en het systeem van binnenuit beleeft. Als kind gaat hij
gewillig op in zijn religieuze opvoeding, als adolescent laat hij zich voor de
kar van de SP spannen, en later is hij een lummelaar met uitkering en
artistieke ambities in Amsterdam. Meulemans personage is een nurkse outsider,
een slimmerik die naar ‘het college’ in de stad mag maar daar toch het gevoel
heeft dat hij blijft ruiken naar platteland. Hij wordt een filmstudent met
pleinvrees die in een Brussels achterkamertje vol toewijding luistert naar de gezaghebbende
theatercriticus op de radio. Deze ik dompelt zich onder in de poëzie van Hans
Faverey, de films van Rainer Werner Fassbinder en de popmuziek van Nico. Waar veel
tieners zichzelf verliezen in kunst, zet hij bevlogen exposés op en probeert
hij zijn esthetische ervaringen in woorden te vangen. Hier ligt overigens wel de
kwetsbaarheid van deze roman: de balans tussen levensverhaal en kunstkritiek
helt voortdurend over. Maar dat maakt het ook spannend.

Opvallend is dat Meulemans ik
zichzelf verkent door te graven in leven en werk van artistieke streekgenoten,
zoals de andere schrijvers die op zijn college school hebben gelopen: Maurice
Gilliams en Leo Pleysier. Ook Pleysier was een dorpeling, een boerenzoon zelfs,
die de boerderij de rug toekeerde door te gaan wonen in een hypermodernistisch
huis van de architect Paul Neefs [zie foto]. Deze Neefs is net als Pleysier en
Meuleman een zoon van de Kempen, het uitgestrekte zanderige gebied tussen
Antwerpen en Eindhoven. Wat zo bijzonder is aan zijn woningen is dat ze het
model van de boerderij lijken te repliceren: ze wenden zich af van de
buitenwereld en richten zich naar binnen als naar een erf. Het is geen toeval
dat Meuleman een uitspraak van Pleysier citeert die helemaal bij dat centripetale
concept past: “Soms zeg ik: ik woon niet in Rijkevorsel, niet in de
Noorderkempen, niet in de provincie Antwerpen, niet in Vlaanderen, niet in
België. Ik woon enkel en alleen maar in mijn huis. In ons huis.” (p.123)

Het contrast met de moderne
doorzonwoning waarin Van Essen opgroeit kan niet groter. Niet alleen de zon
maar ook de blik van de wijk doorschijnt hier het familiale leven. Helemaal
tegen de keer van de jaren zeventig beslisten zijn ouders, oud-hippies, om zich
aan te sluiten bij een strenge gereformeerde gemeenschap. Ze betrokken niettemin
een woning die het moderne functionalisme en de sociaaldemocratische
gelijkheidsgedachte moest belichamen: het rijtjeshuis met zijn uniforme
kamerindeling en het kenmerkende toiletraampje naast de voordeur. Dit
rijtjeshuis sloot naadloos aan bij het emancipatoire streven van de toenmalige Nederlandse
overheid die dit woonmodel massaal uitrolde over de Nederlandse dorpen en
wijken. En het werkte, zelfs voor hen die zich niet door de ideologie achter
die ruimte wilden laten inspireren: “Breed opgezette wijken met veel licht,
lucht en ruimte, dat was allemaal mooi, maar de ruimte waar het echt om ging
was het hiernamaals.” (p.54) Het huisorgel kon erin, de gemeenschap kon op
visite, dus no strings attached.

En dat merk je: de ik bij Van
Essen vertelt enigszins verwonderd over zijn gereformeerde opvoeding, maar de
bloedbanden zijn in zijn verhaal nooit zo strak aangesnoerd als bij Meuleman.
Die laatste blijft zichzelf zien in het licht van zijn familie (de ik is en
blijft ‘de jongste zoon’), terwijl Van Essen zichzelf ontwikkelt in het licht
van de samenleving en de gemengde Amsterdamse Diamantbuurt als zijn natuurlijke
habitat ziet (hij is een ‘kind van de verzorgingsstaat’). Beide schrijvers
laten zich wel kennen als romantische zielen, met een hang naar het leven in de
periferie van het centrum, vanwaar ze scherpzinnig het reilen en zeilen van hun
omgeving kunnen observeren, maar waarbij ze ook zichzelf in spel brengen. Het
is dan ook geen toeval dat architectuur een prominente plaats inneemt in deze
boeken: het is de plaats waar oud en nieuw, ik en wij, idee en gevoel, behagen
en onbehagen elkaar afwisselen; het is een vorm waarin persoon en politiek
samenkomen. Daar is het voor schrijvers en denkers, nurks of flexibel, meestal
goed toeven.

Bart Meuleman, De
jongste zoon.
Amsterdam – Antwerpen: Querido, 2014.
Rob van Essen, Kind
van de verzorgingsstaat. Opgroeien in een tijdloos paradijs
. Amsterdam –
Antwerpen: Atlas Contact, 2016.

Rob van Essen is dit
jaar writer-in-residence aan de Radboud Universiteit. Bart Meuleman ensceneerde
enkele jaren geleden het vermaarde boek
De Verwondering van
Hugo Claus.

Cool and Trendy: New Materialism

by Anneke Smelik

image

In case you think that cultural
theory and academic thought are behind the times, think again. For a few years
we have been teaching theories and concepts within the framework of ‘new materialism’ at the Department of Cultural
Studies, and guess what? This autumn the famous trend forecaster Lidewij Edelkoort announced a new trend for the next
year, in fact for the next decade: NEW MATERIALISM.

In capital letters.

Her trend forecasting skills show that
we academics are quite trendy and ahead of times.

What does new
materialism entail? For Edelkoort it involves a return to the materiality of
fabrics and craftsmanship in fashion design: “We are in an age of new
materialism, the making of materials comes first before form, colour, function”.
However, as cultural theorists we think new materialism goes much further than that. At the
heart of it all is ‘matter’. New materialism takes seriously the notion that objects,
art, fashion, even people, are made out of matter. Materiality thus refers to
quite different ‘things’: the designer’s and the wearer’s body, the garment, as
well as the fiber and fabric.

Matter ‘matters’, because
it has a certain force and agency. In other words, matter is not inert but vibrant, as Jane Bennett claims. New materialism looks
at how material powers affect our daily lives. Such a
perspective is productive for the study of art, fashion and culture, because it helps understand
cultural objects as active and meaningful actors in the world.

image

This is even more
important because of the pivotal role of technology today. Take the phenomenon
of ‘wearable technology’, as in the designs of Pauline van Dongen and Iris van Herpen. Clothes usually hang on the body, moving
along with it. But technologies, like solar cells, LED lights, 3D printing, or
electronics, enable the garments to move autonomously irrespective of the
wearer. As Kaori O’Connor aptly remarks: ‘Man-made fibres are not inert, they
have been created to do’ (2005, p.
53). Clothes then take on a life of their own, acquiring non-human agency, entangled with the human body. The
notion of material agency highlights the fact that the technologies establish
interaction between the garments and
the body, between human and non-human entities. Material agency, in other
words, is not located exclusively in the technology, or in the human body, but
in an assemblage of wearer, fashion, and technology.

The body, clothes, and
technologies: all of these things are made up of vibrant matter that ‘act’ and
‘do’. They do so in interactive and interdependent ways; together they become ‘creative entanglements’, as Tim Ingold calls it. To fully
understand the complexity of new materialism means to take into account not
merely the materiality of fabrics, as Lidewij Edelkoort suggests, but equally
the materiality of the humans that design and wear them. New materialism thus points
to a dynamic notion of life in which human bodies, fabrics, objects and
technologies are inextricably entangled.

God daalt niet af in plakvlees

door Tom Sintobin

image

In A rebours van J.K. Huysmans zien we de
hoofdpersoon, de laatste telg van een eeuwenoude adelijke familie, de hele
roman lang bezig met iets waar hij heel goed in is: kritisch zijn. Talloze
menselijke bedrijvigheden passeren de revue en telkens opnieuw richt het
hoofdpersonage er zijn extreem analytische en erudiete blik op. Van
schilderijen tot boeken, van bloemen kweken tot seks, van woningen inrichten
tot het schikken van edelstenen: over alles heeft Des Esseintes peilloos diep
nagedacht. Voor hem bijvoorbeeld niet zomaar een leuk kleurtje op de wand, nee,
hij wil de enige juiste kleur. Vermits hij ’s nachts leeft, wanneer ‘de wereld
duister is en geluidloos en dood’, zoekt hij kleuren die bij kunstlicht tot hun
recht komen. Dat gaat, in de uitstekende vertaling van Jan Siebelink (Tegen de keer, De Bezige Bij, 2011) zo:

Blauw krijgt bij kaarslicht een groenige tint; als het
donkerblauw is, zoals kobalt of indigo, wordt het zwart; lichtblauw neigt naar
grijs; en als het zuiver en zacht is als turkoois, wordt het mat en koel. Er
kon dan ook geen sprake van zijn blauw te laten domineren in een vertrek,
tenzij in samenspel met een andere kleur. Aan de andere kant wordt het
ijzergrijs in dezelfde omstandigheden nog somberder en zwaarder; parelgrijs
verliest zijn azuren schijn en verandert in een vuilwitte tint; het bruin
vervlakt en verkilt en wat betreft het donkergroen, zoals keizer- of
mirtegroen, dat geeft hetzelfde effect als het donkerblauw en smelt samen met
het zwart; blijven dus nog over de blekere kleuren groen, zoals bijvoorbeeld
pauwgroen, de vermiljoenen en de lakken, maar door het licht verdwijnt het
blauw eruit en laat slechts het geel over dat er op zijn beurt onecht en
troebel uitziet. Hij behoefde evenmin aan tinten te denken als zalm, maïsgeel
of roze, omdat ze verwijfd aandeden, wat strijdig zou zijn met zijn ideeën over
afzondering; de verschillende paarse tinten, die immers hun glans geheel
verliezen, kwamen ook niet in aanmerking. Alleen het rood zal ’s avonds zijn
volle kleur houden, maar wat voor rood! Een troebele, rode tint, een gemeen
donkerrood. Het leek hem overigens totaal zinloos zijn toevlucht te nemen tot
die kleur, want als men een bepaalde dosis wormkruid inneemt, wordt alles
purper voor het oog en zodoende kan men, zonder het aan te raken, de kleur van
zijn behang doen veranderen. Toen hij al deze kleuren had verworpen,
bleven er slechts drie over: rood, oranje en geel.

Uiteindelijk komt onze held, met behulp van de theorie ‘dat
er een harmonie bestaat tussen de zinnelijkheid van iemand die werkelijk
artistiek is en de kleur die zijn ogen heel duidelijk en helder zien’, bij
oranje uit: ‘die prikkelende, morbide kleur met zijn onnatuurlijke pracht,
schel en bijtend’. Hij kan zich uiteraard niet zomaar bij ‘oranje’ neerleggen,
dat zou te oppervlakkig zijn want er zijn diverse tinten van deze kleur, die
allemaal anders reageren op kunstlicht. Des Esseintes werkt dan ook hard om het
voor hem enige juiste type oranje te ontdekken: ‘Bij kaarslicht bestudeerde hij
al die schakeringen van oranje en ontdekte er één, die hem voldoende
uitgebalanceerd leek en in overeenstemming met zijn eisen.’ Het finale
resultaat is fenomenaal: Des Esseintes heeft een perfecte ruimte gecreëerd,
waarin het oranje behang, het indigo geverfde houtwerk, de met geglazuurd
Zuid-Afrikaans leer beklede muren, de van ‘oude kerkelijke stola’s’
(priestergewaden) gemaakte gordijnen en zijn verzameling boeken en zeldzame
bloemen volmaakt harmoniëren. Op de schouw prijkt onder meer een op perkament
gekopieerd gedicht van Baudelaire: ‘N’importe où hors du monde’. Siebelink: ‘Doet
er niet toe waar, als het maar ver weg van de wereld is.’

In
Des Esseintes onwaarschijnlijk intens geleefde leven is er dus niets waarin hij
zich niet heeft vastgebeten en verdiept, is er geen ruimte voor toeval, voor
iets onpersoonlijks, in de letterlijke zin van het woord. Zo een leven kan hij
alleen trachten in te richten ver van de maatschappij, want binnen die
samenleving is alles onzorgvuldig en vals. Zelfs het heiligste van het
heiligste is niet meer zoals het zou moeten zijn: de wijn en het brood die voor
de Eucharistie worden gebruikt, zijn allebei ‘vervalst’:

de wijn door het herhaald versnijden en clandestiene
toevoeging van pernambukoschors, bessen van de wilde vlier, alcohol, aluin,
salicylzuur en loodglit; het brood van de Eucharistie dat uit het fijnste
tarwebloem gemaakt zou moeten worden, door toevoeging van bonenmeel, potas en
pijpaarde! Nu was men zelfs nog verdergegaan; ze hadden de tarwebloem helemaal
durven weglaten en schaamteloze fabrikanten maakten bijna alle hosties van
aardappelmeel!

Des Esseintes, die niet gelooft maar toch bladzijde
na bladzijde over religie bezig blijft, vreest het ergste: ‘Wel, God weigert
naar de aarde af te dalen in aardappelmeel.’ Alles is kapot, het oude continent
is ten onder gegaan, de horden zijn in opstand gekomen – Des Esseintes voelde
het tientallen jaren eerder aan dan Oswald Spengler en José Ortega y Gasset.
Zelfs God is niet meer comme il faut:
‘En, hoe kan men in een Almachtige geloven die door een snuifje aardappelmeel
en een druppel alcohol wordt tegengehouden?’

De
leeservaring van deze ‘bijbel van het decadentisme’ uit 1884 is vaak niet zo
plezierig. Niet alleen wordt de gemiddelde lezer al heel snel overmand door de
woekerende taal en het nagenoeg volledige gebrek aan actie, ook confronteert
deze agressieve tekst ons telkens en telkens opnieuw met onze eigen onkunde en
oppervlakkigheid. Hij noemt talloze namen die we niet kennen, gebruikt woorden
die we in het woordenboek moeten opzoeken, beschikt over kennis waar zelfs in
gerespecteerde encyclopedieën niets van is terug te vinden. Velen gooien het
boek geërgerd van zich af.

image

Onlangs
zond de VRT een aflevering uit van het programma ‘Over Eten’ waarin uitgelegd
werd wat ‘plakvlees’ was. Fabrikanten van vleesproducten lijmen met behulp van
een enzyme dat transglutaminase heet, overschotjes vlees netjes aan elkaar, met
een smakelijk ogend biefstukje als resultaat. Een ‘nieuw samengesteld
biefstukje,’ met andere woorden. De smaak is niet anders dan die van een
‘echte’ biefstuk, en dit tovertrucje halen ze ook uit met vis, varkensvlees,
kip, hazenrug. Wel vertelde een microbioloog tijdens de uitzending dat dit
soort biefstuk vatbaarder is voor bacteriën en dus extra goed doorbakken moet
worden, maar een zeurpiet die daarom maalt. Ook blijkt dat zo’n lappendekentje
voor minstens tien procent uit water bestaat, dat echter gewoon wordt
meegewogen – het duurste water ter wereld, gok ik. Anderzijds: het kost stukken
minder dan normaal vlees, en dat is mooi meegenomen, toch? Bovendien: het staat
op de verpakking (‘Samengesteld uit stukjes rundsvlees’, vermeldt het
etiket), dus je had het kunnen weten.

Ik
wou, in de geest van Des Esseintes, wel eens precies uitzoeken wat
‘transglutaminase’ was. Ons aller encyclopedie bleek het te kunnen vertellen:

Een transglutaminase is een enzym dat betrokken is bij de vorming van een covalente binding
tussen een vrije aminegroep en de gamma-carboxamide
groep van een proteïne– of peptide-gebonden glutamine. Door transglutaminase
gevormde bindingen zijn moeilijk te breken (proteolyse). Transglutaminasen werden
voor het eerst beschreven in 1959[1]Transglutaminasen zijn
betrokken bij verschillende auto-immuunziekten zoals coeliakie.’ (https://nl.wikipedia.org/wiki/Transglutaminase)

Nu
heb ik er geen idee van wat een ‘covalente binding’ of een ‘aminegroep’ is, of
‘proteolyse’, maar bij het woord ‘auto-immuunziekte’ gaat er wél een belletje
rinkelen. Jammer dat er geen plaats meer was op de verpakking om de uitleg
daarvan te vermelden.

Iemand schreef ooit over de Vlaamse auteur Pol de Mont (1857-1931) – de
man die de ‘Vlaamse Tachtiger’ genoemd werd, die zichzelf tot de ‘Brabantse
leeuwerik’ uitriep, die de trillingen van de moderne literatuuropvattingen die
door de lucht beefden sneller opving dan de Vlaamse negentigers, die desondanks bewust gepasseerd werd door hen toen ze
de internationale moderniteit en de canon ingingen met de oprichting van het
tijdschrift Van Nu en Straks (‘‘Pol de Mont
sijfelde en kwetterde de
lente onzer literatuur in,’ schreef een van hen toen, een compliment dat er
geen is) (er is niets zo triest als een mislukkende
avant-garde, ook niet als ze uit slechts één persoon bestaat), die tegenwoordig
volkomen volslagen volstrekt vergeten is, zo vergeten, dat mensen tot docent
Nederlands opgeleid kunnen worden zonder zijn naam gehoord te hebben – die man
– dat hij snel en slordig leefde. Heb ik al eens plakvlees gegeten? Ik zou het
niet kunnen zeggen, vast wel, ik heb het in elk geval niet gemerkt. Ik ben er
slordig genoeg voor. Het had Des Esseintes nooit kunnen overkomen. Hij zou
alles wat op de verpakking te lezen staat, hebben bestudeerd. Hij zou het
lettertype hebben gekend, de samenstelling van het verpakkingsmateriaal en nog
allerlei dingen waar ik nu niet eens aan denk. Hij zou nooit in de supermarkt
zijn binnengestapt. Hij zou alle hyperlinks in het lemma van wikipedia hebben
geopend, en dan de hyperlinks onder die hyperlinks, en zo verder. Hij zou
wikipedia hebben afgewezen en andere encyclopedieën erbij hebben gehaald (alle
drukken, zodat hij kon vergelijken), om dan uiteindelijk te besluiten dat hij
maar beter zelf een encyclopedie kon maken, de enige juiste encyclopedie: op
maat gemaakt. Hij zou bij dit alles de controle niet hebben verloren, noch de
belangstelling of de ijver. Hij zou mij overigens geminacht hebben omdat ik zijn
roman in vertaling las.

Eén van de studenten van het vak
‘Literatuur als erfgoed’, waarbinnen we deze roman bespreken, merkte na zijn
lectuur terecht op: als A rebours in
de 21ste eeuw zou zijn verschenen, dan stond er een hoofdstuk in
over de voedingsindustrie. We hebben dit boek nodig.

– Wie de reportage wil zien, kan hier terecht. 
– Wie het ontzettende gedicht van
Baudelaire (wiens ziel niet naar ‘la Hollande’ wil verhuizen) wil lezen, kan
dat hier doen. 

‘Il
me semble que je serais toujours bien là où je ne suis pas’

Bling bling = armoe troef

De whoop whoop 35 miljoen dollar van Alma-Tadema

image

Op 30 september
2016 opende in het Fries Museum in Leeuwarden de
grootste retrospectieve ooit
in Nederland van het werk
van de negentiende-eeuwse schilder Lawrence Alma-Tadema. De tentoonstelling
werd overal met veel lof onthaald, met bijzondere aandacht voor hoe de werken
van Tadema, uiterst goed gedocumenteerde en technisch briljant uitgevoerde
taferelen van het dagelijks leven tijdens de Klassieke Oudheid, een belangrijke
inspiratiebron vormden voor Hollywoodfilms. Die aandacht is terecht. In de
tentoonstelling worden Tadema’s schilderijen op vernuftige gecombineerd met filmprojecties,
van scenes uit Ridley Scott’s Gladiator
tot Elizabeth Taylor als Cleopatra, die duidelijk maken dat velen van ons veel
bekender zijn met het werk van de negentiende-eeuwse schilder dan we eigenlijk
beseffen.

Minder toe te
juichen, maar eigenlijk niet minder verwacht, is de aandacht die bijna overal
in de media besteed werd aan de hoge prijzen die vandaag de dag voor Tadema’s
werk worden betaald. Het gros van de pers, van het NOS journaal tot The Guardian,
konden er niet aan weerstaan om uitgebreid in te gaan op de 35 miljoen dollar
die Tadema’s schilderij Mozes gevonden
enkele jaren geleden opbracht, het hoogste bedrag dat ooit voor een
negentiende-eeuws niet-impressionistisch werk werd neergeteld. Toegegeven,
Tadema’s rags to richess to rags to
richess
verhaal is aantrekkelijk: als zoon van een bescheiden Friese
dorpsnotaris werkte hij zich op tot zowat de duurst betaalde schilder van Victoriaans
Londen, maar enkele jaren na zijn overlijden in 1912 wilde niemand zijn
schilderijen nog en kon je ze voor een habbekrats op de kop tikken. Dan
opnieuw, postuum weliswaar, miljoenen scheppen met je schilderijen, is bepaald
een indrukwekkende comeback.

Die overdreven
aandacht voor die bling bling wijst
echter toch vooral op een dieperliggend probleem. Niet alleen dat kunst nog
maar louter en alleen interessant lijkt te zijn als een product op de markt,
waarin we als bankiers of speculanten onder de indruk zijn van de volatiele
koersen en van de reusachtige winsten die we hadden kunnen maken: ‘als we het
maar geweten hadden!’ Daarnaast is het blijkbaar ook moeilijk om gewoon, zonder
meer, geïnteresseerd te zijn in kunst uit een andere tijdvak, omdat die kunst
interessant is of dat tijdvak boeiend is. Het lijkt wel alsof we een externe
prikkel of motivatie nodig hebben, fascinatie voor kapitalistisch klatergoud in
dit geval, om die dingen interessant te gaan vinden. Misschien werkt dat wel:
verlaagt het de drempel of trekt het bezoekers over de streep. Alleen blijft de
vraag dan of die bezoekers ook met het juiste paar ogen gaan kijken.

Het is dan ironisch
dat sommige van Tadema’s eigen werken hier zelf iets over te zeggen hebben. De
classica Rosemary Barrow wees er op dat de kunstenaar ons, tamelijk tongue in cheek, in een aantal
schilderijen rijke Romeinse kunstliefhebbers toont die enkel oog hebben voor
dure, blinkende materialen en niet zien dat zich achter hun rug de echte kunst
bevindt. In Een Romeins kunstliefhebber
uit 1868, bijvoorbeeld, zijn enkele mannen en een vrouw volstrekt verblind door
het dure goud en lapis lazuli van een voor het overige niet erg bijzonder
beeldje, zodat ze niet eens doorhebben dat ze omringd worden door enkele van de
bekendste werken uit de westerse kunsthistorische canon. Tadema zou, met andere
woorden, wellicht hartelijk gelachen hebben om alle aandacht voor de bling bling waarmee zijn werk vandaag de
dag opnieuw geassocieerd wordt. Hij wist het allemaal lang geleden al.

Afbeelding:

Lawrence Alma-Tadema, Een Romeins
kunstliefhebber
, 1868.

De wereld onder de diefstal: een affectieve lezing van Schuld (2016) door Walter van den Berg

Marrigje Paijmans

In de week dat op de campus van de Radboud Universiteit mijn
nieuwe Macbook werd gestolen, las ik Schuld (2016) van Walter van den Berg. In deze
roman draait het om een groepje jonge mannen in Amsterdam
Nieuw-West
die leven op de rand van – of eigenlijk net erover – de
criminaliteit. Kevin verdient geld met het formatteren van gestolen laptops:

image

Als Kevin aan een nieuwe laptop
begon, stopte hij zijn gouden schijfje in de bay, startte de laptop op en
kraakte het wachtwoord. Daarna deed hij een search op foto’s en video’s. Als er
niets bijzonders tussen zat, zette hij er een schone Windows op met zijn
zilveren schijfje, steeds dezelfde Windows met dezelfde product key. (26)

De volmaakte onverschilligheid waarmee Kevin de laptops
gereedmaakt voor de zwarte markt is schrijnend. Bij het idee dat mijn eigen
Macbook op vergelijkbare wijze van zijn (mijn) geheugen is ontdaan word ik
bijna onpasselijk. Tegelijkertijd is die verschilligheid, als ik Schuld lees, een luxe.

Van den Berg ontziet zijn hoofdpersonen niet, al plaatst hij
hun handelingen wel in hun snoeiharde context. De jonge mannen zijn stuk voor
stuk getekend door complexe familiesituaties en bovendien bij lange na niet in
staat om hun gevoelens daarover in een narratief te plaatsen. De volgende passage
uit een telefoongesprek tussen een van de mannen en zijn vriendin laat zien hoe
een gebrek aan taalvaardigheid en sociale omgangsvormen kan leiden tot morele
kaalslag:

Mis je mij?
Wat?
Mis je mij?
Natuurlijk mis ik jou.
Wat mis je het meest aan mij?
Je kut.
Nou, zei ze. Geef normaal
antwoord.
Ik geef je normaal antwoord. Je
vraagt wat ik het meest mis, ik mis je kut het meest.
Dat klinkt helemaal niet lief.
Ik mis je lach ook.
Dat is liever. Heb ik een mooie
lach?
Ja, je hebt een mooie lach.
Beschrijf mijn lach dan eens?
Jezus, gewoon een lach. (16-17)

De wederzijdse onverschilligheid, hoewel veroorzaakt door
onzekerheid en onvermogen, is opnieuw schrijnend, maar ook grappig. Dat is het
gevolg van de stereotypering, waar Van den Berg zich helaas wel mee inlaat, maar
ook van de focalisatie, die bij de personages zelf ligt. Als lezer kruip je in
de huid van twee dertigers met de uitdrukkingsmogelijkheden van een puber en
dat gevoel van onbeholpenheid werkt op de lachzenuwen.

Kevin, die als enige van deze randfiguren studeert, voelt
zich verheven boven zijn omgeving, maar ook boven zijn medestudenten, die niet
weten hoe je een laptop kraakt. Hij waant zich boven de wet, omdat hij van het
geld dat hij verdient met zijn criminele activiteiten de schulden van zijn
vader aflost. Ook zijn speurtocht naar seksfoto’s en -video’s op de laptops blijkt
een ‘hoger’ doel te dienen; hij zoekt naar bewijs dat zijn moeder niet de enige
slechte vrouw is.

De titel mede in aanmerking genomen, kan Kevin worden
beschouwd als een 21e-eeuwse Rodion
Raskolnikov
, de hoofdpersoon van Fjodor
Dostojevski’s
Misdaad en straf (1866), ook wel vertaald
als Schuld en boete. Rodion pleegt
een roofmoord op een oude woekeraarster, waarmee hij naar eigen zeggen de
wereld verlost van een stuk ongedierte, terwijl hij met de opbrengst goede
daden zal verrichten. Ook hij is ervan overtuigd dat sommige mensen, zoals Napoleon en
hijzelf
, door hun buitengewone inborst boven de wet staan. Dostojevski’s
roman is dan ook geïnterpreteerd als een aanklacht tegen het politieke en
culturele nihilisme
van de late negentiende eeuw.

Het Amsterdam Nieuw-West van Schuld wordt beheerst door een vergelijkbare wereldvisie; diefstal,
mishandeling, maar bovenal onverschilligheid zijn de norm. Ik wil geen
moralistisch punt maken, maar veeleer iets zeggen in termen van affect. De
grofheid die we ervaren na de ontvreemding van een dierbaar object, is misschien
wel de harde werkelijkheid van Kevin en kompanen die doorklinkt in de onze. Het
is alsof de diefstal ons tijdelijk in verband stelt met die wereld, waarin iedere
schuld wordt afgelost met een volgende. Van den Bergs roman maakte mij attent
op die verbeeldingswerkelijkheid.

Apple biedt een functie die de locatie van je Macbook weergeeft
in Google Maps, mits die contact legt
met het Internet. Mijn Macbook is sinds de diefstal niet meer online geweest. De
functie toont een afbeelding van mijn Macbook met een zwart
scherm
, ten teken van zijn geripte innerlijk. Ik probeer er de humor van in
te zien: dat ik rouwig ben om een ‘ontzield’ apparaat, maar ook dat ik bij
mezelf een licht gevoel van trots bespeur als ik denk aan het moment dat de dief
in mijn tas de nieuwe Macbook aantrof en toen, in mijn verbeelding van dat
moment, even heel gelukkig was.

Talking racism; Or, Getting Under Someone’s Skin

by Tom Idema

If you really want to
get under someone’s skin, reduce everything he does or says to the color of his
skin. Being labeled “white” takes away the comforts of unmarked personhood: the
conditions that allow oneself to simply be a person, a human being, general and
unspecific. Furthermore, to many, whiteness conjures up histories of violence
that shatter the image of the West as the pinnacle of civilization. These
histories, in the plural, render the past uninhabitable—they problematize the cultural imaginary of a singular
national history as a solid ground for ethnic identity. At the other side of
the equation, being labeled “colored” can be interpreted as a reminder that the
privilege of abstract, unmarked personhood is ultimately unattainable, due to
the natural fact of one’s bodily color. And here too, history is evoked as a
site of struggle, a history that all too easily marks the subject in question
as victim. The widespread, common-sense response to racism, then, is not just
to avoid it, but to deny it. When it comes to talking racism, everybody loses. 

image

If you really want to
get under someone’s skin, reduce everything he does or says to the color of his
skin. Being labeled “white” takes away the comforts of unmarked personhood: the
conditions that allow oneself to simply be a person, a human being, general and
unspecific. Furthermore, to many, whiteness conjures up histories of violence
that shatter the image of the West as the pinnacle of civilization. These
histories, in the plural, render the past uninhabitable—they problematize the cultural imaginary of a singular
national history as a solid ground for ethnic identity. At the other side of
the equation, being labeled “colored” can be interpreted as a reminder that the
privilege of abstract, unmarked personhood is ultimately unattainable, due to
the natural fact of one’s bodily color. And here too, history is evoked as a
site of struggle, a history that all too easily marks the subject in question
as victim. The widespread, common-sense response to racism, then, is not just
to avoid it, but to deny it. When it comes to talking racism, everybody loses.

But getting under our skin is just what
Ta-Nehisi Coates wants to achieve in his 2015 manifesto-cum-epistolary
non-fiction book Between the World and Me.
Coates, MacArthur Genius Award-winning
journalist of The Atlantic,
has found a way to turn his anger about racism in US society into a form that
is at times literary. Addressed to his 14 year-old son, and written in the
second person, the author awkwardly relates to the reader as a father. I would
argue that it is Coats’s ability to bring racism to life through a combination
of writing strategies—dramatic anecdotes, historical surveys, news facts, and
passionate appeals—that has led to the wide acclaim for his book, which won the
2015 National Book award
 and was a finalist for the 2016 Pullitzer
prize
.

Unavoidably, I think,
the mixing of history and autobiography, factual analysis and passionate critique,
gets under the skin of some commentators. Perhaps it is a common response to this
kind of text: who are you to tell me about my world, my society? Writing for
The Guardian, Sukhdev Sandhu complains that “his
prose seems increasingly ventriloquized and his insistence
on Afro-American exceptionalism a kind of parochialism
”.  In a review in the New York Times, Michiko Kakutani observes that “There is
a Manichaean tone to some of the passages in this book, and at times, a
hazardous tendency to generalize
”. Even if we acknowledge these criticisms, I think they
expose a practical impossibility of being African-American: one must vanish
into the melting pot (rather than promote racial exceptionalism and
parochialism), but one must also refrain from “generalizing”—laying claim on Americanness.

Critics are
right that Coates is unabashedly inward looking, culturally as well as
personally, and that the book is not without elements of self-aggrandizement. Coates
deliberately projects himself on the firmament of Afro-American cultural,
academic and political icons, quoting from W.E.B. Dubois, James Baldwin,
Richard Wright, Malcolm X, Toni Morrison, Nas, and KRS one. His happy
reminiscences of his time as a student at the predominantly black Howard
University are indeed parochial, celebrating his love and knowledge of
literature, philosophy, history, and other fields. Having learned about
Coates’s tough early life in the streets of Baltimore,  one can imagine the exhilaration of being
able to follow one’s curiosity while feeling safe, at home.

But besides
the many citations, Coates also invents aphorisms of his own. Here’s one: “Race is the child of racism, not the father” (7). Paraphrasing
virtually all the canonical Afro-American thinkers, Coates hammers home the
point that the color of one’s skin and the texture of one’s hair only come to
be connoted as negative because of racist ideology. He reminds us that if racism makes no sense from the vantage point of liberal
democracy. At the same time, however, Between
the World and Me
shows that racism literally makes sense: it is a key marker of difference that allows us to
create cultural, social, economic, and psychological meanings. Both capitalism
and the state were built on and through racism, and the strategy of racism denial
has been essential for these systems to keep functioning in the wake of the
abolition of slavery and the various emancipatory waves. The sorting mechanisms
of our societal systems (who gets to be, have, do, and say what) still work on
the software of racism (and sexism), disguised as the hardware of race (and
sex).

Coates has understood
well the necessity of writing a book on racism that is both rhetorically
appealing and palatable to a large audience. The aesthetic dimension is just as
important as the message: “poetry aims for an economy of truth—loose and
useless words must be discarded, and I found that these loose and useless words
were not separate from loose and useless thoughts” (510). The paradox is that
exactly by bringing in literary suppleness and subtlety, Coates has been able
to communicate the raw violence of racism in the US.

image

Even if not all ideas in
Between the World and Me are
refreshing, the creative weaving together of history and biography, literature
and manifesto, is compelling, and the appeal to talking about racism again is
urgent considering the continued devaluation of non-white lives in the US and
elsewhere. For Coates, the most pernicious idea is the belief in our own
innocence, the unquestioned, simple rationality of one’s own ideas, and
ultimately the idea of just being oneself.
If race is not of our own making, the same goes for our ideas about race: they are
the products of impersonal systems. And so an honest appreciation of the problem
of racism does not so much require moral introspection: “’Good intention’ is a
hall pass through history, a sleeping pill that ensures the Dream” (33). An
honest appreciation of the problem of racism, instead, means reading, writing, talking,
producing, buying, voting, governing, and so on, in full awareness of racial
inequality as constitutive of US society. Thus, the white American may
recognize that his father is, at least in part, black.

Sick Sounds: Hospitals as Acoustic Environments

by Vincent Meelberg

image

Designing and constructing a new building is a major undertaking. The building needs to meet the requirements of its future occupants, comply with government regulations, and at the same time look aesthetically pleasing. Increasingly, buildings are expected to look spectacular.

Builldings, however, not only have a look, but a sound – or rather, sounds – as well. All buildings have acoustic identities. These identities are shaped by the ways in which the rooms are shaped and decorated, which determines its acoustics. The fact that a room sound reverberant, shrill, hollow, dark, or dampened codetermines the atmosphere, or ambiance, of that room. This aural architecture, as Barry Blesser and Linda-Ruth Salter call it in their book Spaces Speak: Are You Listening? (MIT
Press 2007), can also have a social meaning: 

For example, the bare marble floors and walls of an office lobby loudly announce the arrival of visitors by the resounding echoes of their footsteps. In contrast, thick carpeting, upholstered furniture, and heavy draperies, all of which suppress incident or reflected sounds, would mute that announcement. The aural architecture of the lobby thus determines whether entering is a public or private event. (Blesser & Salter 2007: 3) 

Yet, the inhabitants of a space also contribute to the acoustic
identities of a building. In his TED Talk, sound consultant Julian Treasure
explains how the acoustic environments we live and work in influence the way we function:

Sound thus seems to be extremely important when designing a new building and proper attention needs to be given to the acoustic environments.

This is particularly true when that building is a hospital. Sounds are extremely important in a hospital, as they contain important information concerning the health of patients. The hospital staff needs to be able to properly listen to the auditory signals produced by the medical equipment. If they are not able to, this may lead to dangerous and sometimes even life-threatening situations for patients. It is all the more surprising, then, that only fairly recently hospitals and medical equipment manufacturers are paying attention to the manners in which medical devices sound alarms.

The acoustic environments in hospitals affect patients as well. In some cases, they may even be harmful to them. Therefore, the acoustic environment of a hospital needs to strike a balance between auditory signals that the staff needs to hear, without overwhelming them with sounds, and at the same time not being too stressful for the patients, perhaps even be soothing to them. In any case, the acoustic environment should not aggrevate the patient’s condition.The Japanese electronic musician Yoko K. wondered if the acoustic environment in hospitals could be improved:

The Future of Hospital Sound from Yoko K. on Vimeo.

One of the manners in which Yoko K. intends to improve the hospital’s acoustic environment by making sure the sounds produced by medical equipment are more or less consonant, in tune. And although that would perhaps improve the acoustic environment, the question is whether or not it would diminish the signal value of the sounds. In other words: will these sounds still be noticed by the medical staff, because the different sounds blend to well?

It is because of these conflicting sonic conditions that designing the sonic environment of a hospital is so complicated. At this moment a new children’s hospital is being built in Utrecht, and this time sound is a concern. Together with soundbranding agency Blckbrd and the Radboud University the hospital will investigate the manners in which the acoustic environment in the hospital can be optimised. This hospital will not only look spectacular, but sound the part as well.

Happy New Year

image

door Edwin van Meerkerk

Het nieuwe collegejaar is begonnen. In de collegebanken bij
cultuurwetenschappen mogen we daarbij deze maand een record aantal
internationale studenten verwelkomen. Dit jaar startte namelijk de Engelstalige
variant van onze bacheloropleiding, waarnaast we sinds twee jaar ook al een
internationale master aanbieden. ACW Nijmegen gaat dus mee met de trend van
verengelsing van het Hoger Onderwijs waar de laatste tijd zoveel discussie over
is. Door twee opleidingen in het Engels aan te bieden kiezen we positie in dit
debat. Het is goed die keuze hier toe te lichten.
*

Critici vrezen dat onderwijs in het Engels schadelijk zou
zijn voor de talige ontwikkeling van de studenten. In plaats van op academisch
niveau te leren communiceren in hun moedertaal zouden ze aan het eind van de
rit noch in het Nederlands, noch in het Engels veel beter zijn dan de
gemiddelde scholier. Bovendien, zo wordt gesteld, beheersen docenten en
studenten het Engels onvoldoende om ook inhoudelijk het beoogde niveau te
behalen. Beide argumenten verhullen in mijn ogen de meerwaarde van het
internationaliseren van het Hoger Onderwijs.

Maar eerst de geclaimde nadelen. De uitdrukkingsvaardigheid
van afgestudeerden in hun opleidingstaal moet natuurlijk van hoog niveau zijn.
Onderwijs in het Engels moet daar dan ook voldoende steun aan geven. Onderwijs
is groeien in kennis, houding en vaardigheden – inclusief de beheersing van de
taal. Dat is geen vanzelfsprekend of natuurlijk proces. Zoals we de studenten
van de Nederlandstalige specialisaties ondersteunen in de ontwikkeling van hun
uitdrukkingsvaardigheid en hen daar bij werkstukken, tentamens en scriptie op
afrekenen, zo doen we dat ook bij het Engels. Dat is de taak van een opleiding,
en daar verandert niets aan wanneer de taal van de opleiding anders is –
hooguit is het startniveau van de taalbeheersing lager. Dat maakt de opleiding
moeilijk voor de student, maar daar is het een universiteit voor.

Het tweede argument, dat het inhoudelijke niveau van de
opleiding zou leiden onder het gebruik van een andere taal kan ook positief
worden geformuleerd: docenten in een opleiding die in het Engels wordt
aangeboden, moeten die taal tot in de puntjes beheersen. Dat klopt, en ook daar
is niets nieuws onder de zon. Van onze docenten wordt C2-niveau (near native) geëist
en wie daarna nog verdere ondersteuning in het geven van colleges of het
corrigeren van teksten nodig heeft, krijgt die van de faculteit. Kortom, een
opleiding in het Engels aanbieden is niet iets om lichtvaardig af te doen. Dat maakt
doceren moeilijk voor de docent, maar daar is het een universiteit voor.

Deze discussie over taalbeheersing en opleidingsniveau leidt
af van de reden waarom opleidingen overstappen op het Engels. De afgelopen twee
jaar hebben wij ervaren wat de meerwaarde is van het werken met een
internationale groep studenten. De diversiteit in culturele achtergronden is,
zeker voor een opleiding cultuurwetenschappen, van niet te overschatten
meerwaarde. (Universitair) onderwijs is idealiter meer dan een opleiding op een
bepaald terrein, het is ook een vorm van kritische zelfreflectie en de
ontwikkeling van metacognitieve competenties. De confrontatie met leeftijdsgenoten
uit, om mijn groep van verleden jaar als voorbeeld te nemen, Nederland, Rusland,
Indonesië, Canada, Mexico en Brazilië is een katalysator voor juist dat proces.
Dat vormt de studenten als mens, maar vooral ook als academici. Dat is niet
zozeer harder werken, maar meer leren, en daar is het een universiteit voor.

*) Deze blog is op persoonlijke titel geschreven. In het
Nederlands, ook al gaat het over het Engels, want het is een Nederlandse
discussie.

Afbeelding: de hoogleraren verzameld voor aanvang van de
opening van het academisch jaar 2016-2017. http://www.ru.nl/nieuws-agenda/nieuws/vm/2016/augustus/academisch-jaar-radboud-universiteit-start/

Have yourself a Meelberg summer

By Vincent Meelberg

– Groove: A Phenomenology of Rhythmic
Nuance
– Tiger C. Roholt (New York: Bloomsbury 214). A phenomenological study of
what I consider one of the most important aspects of music: groove.

– In the Blink of an Ear: Toward a
Non-Cochlear Sonic Art
– Seth
Kim-Cohen (New York: Bloomsbury 2009). And: 
The Tone of Our Times: Sound, Sense,
Economy, and Ecology
(Cambridge: MIT Press 2014). Two books on sound, but
discussed from different perspectives: art and ecology, respectively.

– Speaking Code: Coding as Aesthetic and
Political Expression
– Geoff Cox (Cambridge: MIT Press 2013). And: Code/Space: Software and Everyday Life – Rob
Kitchin and Martin Dodge (Cambridge: MIT Press 2011). 
Two books on another phenomenon
that I am fascinated with: software. These books approach software from a
cultural studies perspective.

Summertime!

By Timotheus Vermeulen

Alright, here’s
my summer reading list. It features books I imagine readers might actually
enjoy reading whilst lying on the beach or gazing across the mountain valleys
or – in case you are holidaying in the Netherlands – hiding from the rain in
your camper van or tent (as opposed to those books I personally always think,
or hope, rather, I might want to read but inevitably, and not without relief,
keep pushing to the bottom of my suitcase).

Changing my mind, Zadie Smith

What Judith
Naeff said
. Thoughtful in a mostly intuitive way; emotional in a contemplative
manner, meandering and measured, exploring the cosmically great and the intimately small. This is one
of the most talented authors of our moment at her best. (I would recommend
starting your holidays with this book; it will put your mind to a kind of
inspired, meditative serenity).

 

I am Zlatan Ibrahimovic, Zlatan Ibrahimovic & David
Lagercrantz

The, ahum,
autobiography of Zlatan Ibrahimovic, not just ghost paraphrased but “ghost imagined”,
if that’s a thing, by David Lagencrantz, is, simply put, splendid fun. There
really is no other way to describe it: it’s splendid fun: intentionally (there
are spot-on characterisations of other players and coaches in football) and
unintentionally (in its apparent lack of self-reflection) hilarious, gripping
(it’s a rags to riches story, after all), suspenseful (which fight will break
out next) and superbly written. I’ve read it two summers in a row and look
forward to getting into it again this august. (Best on the beach or next to the
pool, if you ask me).

 

10:04, Ben Lerner

I think
this may well be my favourite book of the past decade: moving seamlessly between
life-writing and (meta-)fiction, farce and melodrama, cultural philosophy and anecdotal
kitsch, in a prose that is lively and spot-on, the novel at once reflects on
the ills of contemporary society and contemplates the more and less effective cures.
(A good second holiday book).

Can’t and won’t, Lydia Davis

Everything Lydia
Davis writes, regardless of what it is or is about, is the best American
literature has to offer. Period. (Wonderful for reading out loud to your fellow
travellers on long journeys by car, train or plane)

Precision and Soul, by Robert Musil

Precision and Soul is a collection of essays written by Musil
between 1911 and 1937. The essays are, without exception, mind-blowing, each of them in and of themselves timeless intuitive philosophy. (Indeed, if you begin your holidays with
Smith, book-end it with this companion piece by Musil.) If the collection is
timeless however, it is also exceptionally pertinent to our current moment.
These essays read like they might have been written today, dealing with the
simultaneous bureaucratization and monetarization of thought, the perverse
obsession with measuring everything, and rising fascism. Scary stuff, but essential
stuff.