Emoji’s en emoties. Over The Emoji Movie en Inside Out.

door: Roel Smeets

The Emoji Movie (2017)

Mijn broertje is 8 en gaat graag met mij en zijn schoonzus naar de bioscoop. Het leek hem een goed idee om De Emoji Film  (The Emoji Movie) te gaan zien. Toen ik las over de plot – een in een smartphone levende emoji die in opstand komt – was ik enthousiast: ik hoopte op een dystopisch verhaal waarin onze omgang met moderne technologie kritisch tegen het licht gehouden werd. Op online platforms IMDB en Rotten Tomatoes kreeg de film echter historisch lage beoordelingen, respectievelijk een 10% en een 2.6. Met gemengde gevoelens betrad ik de bioscoopzaal.

image

De held van De Emoji film is Gene, een zogenaamde ‘mèh’ emoji (zie afbeelding) die niet blijkt te kunnen voldoen aan de verwachtingen van zijn soortgenoten. De hoofdtaak van de emoji’s is namelijk geduldig af te wachten in een hokje totdat ze door de gebruiker van de smartphone waarin ze wonen gekozen worden. Het probleem met Gene is dat hij niet in een hokje past, in figuurlijke zin. Hij is dan wel een ‘mèh’, maar er gaat veel meer in hem om dan enkel een ‘mèh’-gevoel, hij wil uitdrukking kunnen geven aan de eindeloze reeks van emoties die in hem rondzingen. Gene wordt door zijn omgeving aangespoord zich te beperken tot die enkele emotie die hij behoort te uiten, maar in dat keurslijf kan en wil Gene niet gedrukt worden. Met alle gevolgen vandien: chaos, achtervolgingen, ellende. Alles komt gelukkig goed.

De boodschap van de film laat zich concreet samenvatten als: laat je niet reduceren tot iets wat je niet bent, geef uiting aan de diversiteit die in je leeft, floreer, vlieg uit. In de kern een prima verhaal, beetje uitgekauwd, maar soit – ik heb kinderfilms gezien met een meer dubieuze boodschap. Met twee dingen in de film heb ik wel moeite:

1: De stem van Gene, vertolkt door Arjen Lubach. Het schelle stemgeluid van Lubach gaat bij mij door merg en been, ik kan er niet naar luisteren. Ik ken niemand anders die dit ook heeft. Lotgenoten mogen zich melden.    

2: De premisse van de film is dat menselijk contact hoofdzakelijk mogelijk is door middel van digitale communicatie. De bezitter van de smartphone waar Gene en de emoji’s in leven probeert contact te leggen met een meisje waar hij verliefd op is. Dat gaat mis omdat de emoji-wereld ontregeld raakt: de smartphone communiceert niet meer zoals dat zou moeten. Uiteindelijk weet de bezitter van de smartphone juist dankzij die emoji’s in contact te komen met het meisje. Nooit komt het in hem op om gewoon op haar af te stappen, zonder dat daar een telefoon aan te pas komt. Is een telefoonscherm werkelijk de enige weg naar verkering? Posthumanistische cyber-depressie.

Mijn broertje vond de film heel erg leuk.

Inside Out (2015)

image

Personage Joy in Pixar’s Inside Out

Later keken we samen met mijn broertje nog een andere film, thuis op de bank: Binnenstebuiten (Inside Out) uit 2015. De Rotten Tomatoes en IMDB scores zijn een stuk hoger: respectievelijk 98% en een 8.2. Deze keer geen emoji’s, maar emoties. We zitten in het hoofd van een meisje genaamd Riley, we zien hoe de vijf basisemoties (Plezier, Verdriet, Angst, Afkeer, Woede) een bepalende rol spelen in haar innerlijke wereld. Die vijf emoties bepalend de aard van (kern)herinneringen (bijvoorbeeld plezierig of verdrietig) en zijn verantwoordelijk voor de vorming van persoonlijkheid. Plezier heeft duidelijk de broek aan in het commandocentrum van Rileys geest, wat maakt dat ze een vrolijk meisje is. Verdriet wordt steeds genegeerd, mag niets aanraken omdat Plezier niet wil dat Riley verdrietige herinneringen creëert. Na een verhuizing veranderen de omstandigheden, Plezier en Verdriet verdwijnen het uit het hoofdkantoor en verdwalen, en Rileys geest wordt enkel nog bestuurd door Angst, Afkeer en Woede.

In de zoektocht van Plezier en Verdriet terug naar het hoofdkantoor komen deze twee basisemoties dichter bij elkaar. Waar Plezier in het verleden Verdriet steeds geen rol heeft willen laten spelen in het besturen van Rileys geest, ziet Plezier nu in dat niet alle herinneringen uitsluitend plezierig kunnen zijn, maar dat iedere herinnering meerdere kanten heeft. Plezier komt tot het inzicht dat een plezierige herinnering ook verdriet, angst, woede of afkeer kan bevatten. Ieder mens draagt al deze basisemoties in zich, het negeren van Verdriet doet geen recht aan het veelzijdige menselijke gevoelsleven. Om in harmonie te kunnen leven moeten we niet enkel het plezierige willen zien, maar ook de, bijvoorbeeld, verdrietige kant van het verhaal.

De boodschap van Inside Out lijkt een beetje op die van The Emoji Movie: alleen als we recht doen aan de diversiteit van ons gevoelsleven kunnen we gelukkig zijn. Dat biedt een mooi tegenwicht aan (kinder)films waarin verdriet gepresenteerd wordt als iets wat vermeden moet worden en plezier iets wat wat nagestreefd moet worden. Interessant is dat Inside Out aan een andere levensstrategie voorbij gaat: de mogelijkheid om je te bewust te distantiëren van je emoties en gedachten, ze te observeren zonder er een oordeel over te vellen of ze al te bepalend te laten zijn voor je welbevinden. Riley heeft namelijk geen controle over haar eigen geest, ze wordt bestuurd door de emoties. Ik ben benieuwd of Inside Out 2 op die thematiek gaat inspelen. Wat gebeurt er als de puberende, adolescente of volwassen Riley zich niet meer mee laat slepen door haar emoties maar in staat is ze van een afstand te observeren en ze te beteugelen? Mijn advies aan de makers van Inside Out 2 is om Riley naar een boeddhistisch klooster te sturen om zich daar door een Zen-meester te laten trainen in meditatietechnieken. Wat gebeurt er in het hoofdkantoor van een Verlichte Geest? Lijkt me interessant.

Mijn broertje vond ook deze film heel erg leuk.

Toen de beesten nog niet konden spreken

door Tom Sintobin

Vroeger, toen de beesten nog niet konden spreken, was een ironicus een
gedistingeerd iemand. Niets werd aan het toeval overgelaten: van kledij tot
mimiek, van voeding tot woonplaats – de ironicus beheerste en controleerde het
allemaal. Zo iemand sprak op subtiele wijze iets anders uit dan wat hij
bedoelde en zei dus twee dingen tegelijk: hij was met twee teksten tegelijk
bezig, zo u wil. Subtiele markers geven dat aan. Als Shakespeares redenaar Antony
Brutus looft als ‘an honourable man’, dan lijkt het alsof hij met een lofrede
bezig is (tekst 1), maar doordat hij de zin ‘For Brutus is an honourable man’
zo obsederend vaak herhaalt, begrijpt een goed verstaander steeds beter dat dit
een beschuldiging is (tekst 2), vermomd als een lofrede. Subtiliteit is hierbij
essentieel – als ironie te nadrukkelijk wordt, verliest ze haar scherpte. Een
echte ironicus bediende immers ook twee publieken: een publiek dat de markers
niet zag, daardoor slechts één tekst begreep en bijgevolg de ironie dus niet
vatte (en er het slachtoffer van werd), en een publiek dat wél door had (of
kreeg – want ironie zet in essentie aan tot denken) dat de spreker met dubbele
tong sprak en dus doorstootte naar het tweede niveau, waarop dat eerste niveau
in twijfel werd getrokken.

image

Burgers die Brutus’ moord op Caesar goedkeurden
stonden Antony toe te juichen omdat ze niet door hadden hoe subversief zijn
spreken was. Ook in die zin was ironie gedistingeerd, of beter: een middel tot
distinctie. Wie de ironie  vatte, kon
zich afzetten tegen en superieur voelen over wie dat niet deed. Ironie kon
daardoor ook een daad van bevrijding zijn: Antony kan de aanval inzetten op
Brutus, ook al is hij omringd door burgers die Caesar ‘a tyrant’ noemen en blij
zijn dat ze van hem af zijn. Dankzij de dekmantel van zijn briljante ironie
krijgt hij de kans te spreken en daardoor het publiek van zijn gelijk te
overtuigen. Ironie kan op die manier een machtig wapen worden. Dictatoriale
regimes van alle tijden en overal keren zich tegen elk spreken dat openlijk
weerstand biedt, maar kunnen door sluw uitgevoerde ironie om de tuin worden
geleid. De hegemoniale sprekers worden dan het slachtoffer van de meesterlijke
ironicus, omdat ze niet inzien dat hij hen op de korrel nam terwijl hij hen aan
het prijzen was. U ziet het, ironie is een complex en in essentie agressief
spreken, met winnaars en verliezers, met bedoelingen en idealen – en de
ironicus die het allemaal regisseerde moest dan ook verdraaid goed weten waar
hij mee bezig was. Ironie werd dan ook wel intellectuele humor genoemd, de
humor van de geleerde klasse.

In de tweede helft van de twintigste eeuw kwam hier
verandering in. Ironie ging dood, of beter: ironie was all
over the place
. David Foster Wallace had het als eerste in de smiezen
(afijn: hij was niet de eerste – in het verleden lag ironie ook al meermaals
onder vuur – maar dat vergeten we nu gemakshalve maar even): ironie was
mainstream geworden. Populaire cultuur – reclame en tv-series op kop – waren
doordrenkt van het ‘nudge, nudge, know what I mean’-principe, waar Monty Python op weergaloze wijze mee aan
de slag ging. Alles was ‘ironisch’, iedereen zei iets anders dan wat hij of zij
meende – ironie was de norm geworden, in de plaats van rebellie. En wat meer
was, ironie raakte in één klap al haar subtiliteit kwijt: je moest al wel heel
lomp zijn om de ironie van bijvoorbeeld de reeks Friends of van MTV niet
te snappen. Toeval of niet, maar deze evolutie viel samen met de uitvinding en
verspreiding van de smiley, die als een afgod wordt aanbeden op het internet.
De knipogende variant functioneert voor de hele mensheid als marker van ‘ik
meen het niet echt’ en vernietigt daarmee elk respectabel ironisch effect.

Wallace was niet de enige die er gek van werd. ‘Ik wou iets doen. Het gaf niet wat het
was, maar ik wilde weer iets voelen,’ zei de Vlaamse auteur Paul Mennes in 2001
in een interview, ‘Iets nieuws, iets dat waardevol is, iets dat niet bolstaat
van de ironie of de camp. Alles is camp geworden. De helft van de tijd weet ik
niet meer of ik iets meen of niet. Je lacht je dood. Je amuseert je te pletter.
Je relativeert jezelf en alles om je heen tot de dood erop volgt. De wereld
gaat aan ironie ten onder.’ Uit dit sentiment werd de New Sincerity geboren. Je zegt weer wat je bedoelt.
Je bent eerlijk. Je huilt oprecht, authentiek, met natte tranen. Alleen: je
hebt er een camera voor nodig. ‘Enkele keren per jaar, snachts en heel
verborgen, dan gaat men huilen, bijvoorbeeld op de WC,’ schreeft autodidact en
literair wonder Leopold M. Van den Brande ooit ergens – maar niets meer
daarvan: voortaan huilt men als de media erop staan te kijken. Authentiek
allemaal. Hier kunnen we mee voort. Wel een beetje – euh – degelijk. Er valt
niet veel te lachen. Het spel is niet leuk meer, want er zijn alleen maar
winnaars. Of alleen maar verliezers – er wordt niets of niemand meer aan de
kaak gesteld. En je moet niet meer nadenken.

Gelukkig is er een nieuwe master of Irony opgestaan.
Een die een heel nieuw paradigma single
handed
heeft opgestart. He is a good guy. Friend of mine. Really. Om de
volle draagwijdte van dit nieuwe paradigma te snappen, vat ik de bovenstaande
evolutie even samen. Fase 1: ironie = je zegt iets anders dan wat je bedoelt.
Je weet heel goed wat je bedoelt en wat je zegt, en alles loopt zo subtiel dat
slechts een minderheid je kan volgen. Fase 2: iedereen zegt systematisch iets
anders dan wat hij of zij bedoelt, en iedereen weet dat van elkaar. Voor de
zekerheid zet je er een knipogende smiley bij. Alles is grappig, niets nog
ernst. Niemand weet nog wat ernst is. Fase 3: New Sincerity = je bedoelt weer wat
je zegt en je bewijst dat door traantjes te plengen op de televisie. Je weet
heel goed wat je zegt en je weet ook heel goed wanneer je gaat huilen. Je bent
een echt mens. Fase 4. begon al in 2016 maar kreeg pas echt wind in de zeilen
vanaf 20 januari 2017. Het is een bijzonder ingenieuze fase, en het vergt veel
denkvermogen om ze te snappen. Het komt, in het kort, op het volgende neer: je zegt
iets onverwachts: iets racistisch, iets seksistisch, iets volslagen ongegronds.
Je zegt bijvoorbeeld dat je dat je meer volk trok voor je openingsspeech dan je
voorganger, dat je gewiretapt werd door diezelfde voorganger, dat je een
moslimban gaat doorvoeren. En dan wacht je tot er iemand daarover begint te
zeuren. Vervolgens laat je een van je medewerkers zeggen dat je eigenlijk iets
anders bedoelde, dat je het slachtoffer dreigt te worden van een pietluttige
discussie over ‘semantics’. Je zegt bijvoorbeeld dat ‘wiretapping’ verwijst
naar ‘surveillance’ tout court, bijvoorbeeld via je televisiescherm. Kwatongen
zullen dan wel gaan beweren dat je een sukkel bent die niet weet wat hij zegt,
maar dat is juist goed: je kunt laten zien dat zij over idiote details blijven
doordrammen, en dat jij een gewone mens bent die de hoofdzaken ziet. Dat je
semantisch wat brokkelt maakt je dus authentiek: het is de bewust aangebrachte
tâche de beauté die je schoonheid extra doet opvallen, het is de imperfectie
die toont hoe perfect je bent. Het is slim gezien – het is een vorm van ironie
die je juist ‘sincere’ maakt. Je zou wel gek zijn om de semantics nog te
respecteren, daarmee val je ogenblikkelijk door de mand.

Maar het is nog niet voorbij, nee, zo makkelijk val je
niet tot een betekenis te reduceren – anders was je maar een simpele ironicus. Terwijl
de goegemeente over deze hele kwestie zit te kissebissen, zeg je plots dat je
toch bedoelde wat je zei, zodat noch je entourage, noch de mensen
thuis-voor-de-buis er nog een idee van hebben waar je nu eigenlijk voor staat. Het
effect van deze tweede ronde is ronduit briljant. Mindere geesten zouden er
chaos in menen te moeten zien, maar ze dwalen – het is de totale vrijheid. Ik
laat de meester zelf maar even aan het woord, ik citeer uit een interview met CBS,
begin mei 2017, dus anderhalve maand nadat diverse ‘people in the know’ op
overtuigende wijze tegengesproken hadden dat er een wiretap was geweest: ‘I think our sides
been proven very strongly and everybody’s talking about it, and frankly, it
should be discussed – I think that is a very big surveillance of our citizens.
I think that’s a very big
topic. And it’s a topic that should be No. 1, and we should find out what the
hell is going on
[…] I don’t stand by
anything. I just, you can take it the way you want. I think our side’s been
proven very strongly.’
We zijn allemaal vrije burgers: we can take it the way we want. Hij staat nergens achter. Alles is in het belang van het volk.
En in die paar zinnetjes gebruikt hij het woord ‘think’ wel vier keer, het
woord ‘I’ zes keer, het woord ‘we’ één keer: als dat geen mooie markers zijn
van iets, dan weet ik het ook niet meer.

Ik zou u niet kunnen zeggen
wat deze herhalingen markeren. Maar dat komt omdat ik een mindere god ben. En
gelukkig is het niet erg, want er is een Leider, Die ik Mag Volgen (‘Above all
else, we will keep our promises to the American people.’). De president is geniaal. De president is overal. Hij leest alles. Hij waardeert loyaliteit en
lof. Mijn rekeningnummer is NL72 ABNA 03025498435. De president is geniaal, ik blijf het herhalen, op het
stuwende ritme van de cashflow. Graag als vermelding: voor Tom, van Donald. Dank. De president is
geniaal. Ik ben blij dat hij tijdelijk aan de leiding is. Does it take a genius
to see one?

Toilet training

door Liedeke Plate

Ook in Nederland komen ze steeds vaker voor: zogeheten
genderneutrale toiletten. WC’s die niet uitsluitend voor mannen of voor vrouwen
zijn bedoeld, maar voor iedereen, ongeacht geslacht en genderidentiteit. Maar
waarom zijn ze eigenlijk nodig? Welk probleem wordt ermee opgelost? De
documentaire Toilet Training gaat
over de intimidaties en het geweld waarmee mensen die gendernormen
overschrijden worden geconfronteerd in een cultuur waarin binaire mannen- en
vrouwenwc’s de norm zijn.

Fantastic Flying Books

door Frederik Van Dam

Dit filmpje is de trailer van The Fantastic Flying Books of Mr
Morris Lessmore
, een korte animatiefilm over een man die zijn leven aan
boeken wijdt. In 2012 won deze film de Oscar voor beste film in zijn
categorie. 

Er hangt een zweef van magie over het verhaal. Mr Morris Lessmore zit op
een balkon in New Orleans een boek te schrijven, wanneer plotseling een storm
opsteekt (een allusie naar Hurricane Katrina) die de stad vernietigt. Na de
storm dwaalt Mr Lessmore door de stad en volgt hij een spoor van
boekbladzijden. Zo komt hij bij een landhuis dat wordt bevolkt door vliegende
boeken. Hij neemt de zorg voor deze boeken op zich: zo herstelt hij, als een
chirurg, een oude editie van Jules Vernes’ De la terre à la lune,
dewelke pas wordt gereanimeerd wanneer hij er in begint te lezen. Hij
begint ook opnieuw aan zijn memoires en leest daaruit voor aan de boeken. Als
hij een oude man is, verdwijnt hij en krijgt zijn eigen boek een plaats in de
bibliotheek. 

Zoals deze synopsis illustreert, is de film een allegorie over wat
boeken kunnen betekenen in een mensenleven: mensen geven boeken leven, en
boeken geven het leven betekenis. Het handboek dat we in de opleiding ACW
gebruiken voor het vak Literatuurwetenschap heet niet voor
niets Het leven van tekstenThe Fantastic Flying Books of
Mr Morris Lessmore 
raakte mij echter niet omdat hij me herinnerde aan mijn
ambitie om ooit een creatief boek te schrijven, of aan mijn onderwijstaken. Ik
herkende me in het beeld van de boekverzamelaar. Walter Benjamin omschrijft
deze figuur als volgt:

Glück
des Sammlers, Glück des Privatmanns! Hinter
niemandem hat man weniger gesucht und keiner befand sich wohler dabei als er,
der in der Spitzwegmaske sein verrufenes Dasein weiterführen konnte.
Denn in seinem Innern haben ja Geister, mindestens
Geisterchen, sich angesiedelt, die es bewirken, daß für den Sammler, ich
verstehe den rechten, den Sammler wie er sein soll, der Besitz das allertiefste
Verhältnis ist, das man zu Dingen überhaupt haben kann: nicht daß sie in ihm
lebendig wären, er selber ist es, der in ihnen wohnt. So habe ich eines seiner
Gehäuse, dessen Bausteine Bücher sind, vor Ihnen aufgeführt und nun
verschwindet er drinnen, wie recht und billig.
[O bliss of the collector, bliss of the man of leisure! Of no one has
less been expected, and no one has had a greater sense of well-being than the
man who has been able to carry on his disreputable existence in the
mask of Spitzweg’s ‘Bookworm.’ For inside him there are spirits, or at
least little genii, which have seen to it that for a collector – and I mean a
real collector, a collector as he ought to be –ownership is the most
intimate relationship that one can have to objects. Not that they come
alive in him; it is he who lives in them. So I have erected one of his
dwellings, with books as the building stones, before you, and now he is going
to disappear inside, as is only fitting.]

Welke boekverzamelaar kan zich hier niet in herkennen? Toegegeven, het
schilderij van Carl Spitzweg waar Benjamin op alludeert, is weinig flatterend,
en komt niet overeen met de stijl van Mr Morris Lessmore, wiens uiterlijk
gebaseerd is op dat van Buster Keaton. De vergelijking met Benjamins
boekverzamelaar loopt bovendien op bepaalde punten mank: Mr Morris leent zijn
boeken graag uit – iets wat niet strookt met Benjamins portret. Maar het idee
achter Benjamins tekst is wel aanwezig. Niet alleen is de gevel van de
bibliotheek van Lessmore bekleed met boeken; de geesten waar Benjamin over
spreekt zijn hier gepersonifieerd. De belangrijkste gelijkenis is echter de
inspiratie achter een verzameling:

Jede Leidenschaft grenzt ja ans Chaos, die
sammlerische aber an das der Erinnerungen Doch ich will mehr sagen: Zufall,
Schicksal, die das Vergangene vor meinem Blick durchfärben, sie sind zugleich
in dem gewohnten Durcheinander dieser Bücher sinnenfällig da.
[Every passion borders on the chaotic, but the collector’s passion
borders on the chaos of memories. More than that: the chance, the fate, that
suffuse the past before my eyes are conspicuously present in the accustomed
confusion of these book].

Benjamin schreef vanuit het standpunt van een Joodse Duitser in de
aanloop naar de Tweede Wereldoorlog: een ontheemd, verlaten standpunt, een van
ballingschap, waarin de draagbaarheid van zijn boekenverzameling een laatste
houvast bood. Dit standpunt herkennen we ook aan het begin van de film. Het is
een beetje enigmatisch waarom het verhaal in gang wordt gezet door de
catastrofale passage van Hurricane Katrina in New Orleans. Maar als we de film
interpreteren door de lens van Benjamins tekst, wordt het duidelijk dat we hier
te maken hebben met een catastrofe die niet mag vergeten worden. Door collectieve
trauma’s te herinneren in boeken, zo lijkt de film te zeggen, kunnen we de
wonden die ze slagen, helpen helen. Gelijkaardige ideeën zijn behandeld door
wetenschappers veel kundiger dan mezelf op Animation
and Memory
, een conferentie die aan het begin van deze zomer plaatsvond aan
de Faculteit der Letteren: http://www.ru.nl/animationandmemory/.

Omogelijke ideeën

door Helleke van den Braber

De beste en kortste definitie van mecenaat die ik ken wordt
in dit filmpje gegeven: wat is modern mecenaat anders dan “the backing of
otherwise impossible ideas”? Weldoeners geven iets unieks aan de kunsten: met
hun geld geven ze ruimte, vrijheid, en de mogelijkheid om projecten mogelijk te
maken die er zonder hun steun nooit waren gekomen. In dit goed gemaakte
minidocu’tje zie je grote namen uit de hedendaagse én historische Amerikaanse
kunstscene formuleren wat mecenaat voor hen betekent. Waarom doen mecenassen
eigenlijk wat ze doen? Simpel. They love showing off.

Trendwatching: the Summer of 89

door Maarten De Pourcq

Deze week een zoekprent! Vind de vijf trends in deze clip
uit 1989 die vandaag weer in zijn. Schrijf ze op een gele briefkaart gericht
aan ACW. De winnaar krijgt een acid cocktail tijdens Nijmegen Summer Capital.
Extra punten gaan naar wie het dansje kan brengen op de Kaaij tijdens de
Vierdaagsefeesten, mét rode sokken. Enjoy!

Kind voor de spiegel

door Lianne Toussaint

Als kleuter keek ik graag in de spiegel. Er is een
videofragment waarin ik, een jaar of vier oud, langdurig voor de grote spiegel
van mijn ouders garderobekast sta nadat ik voor het eerst mijn moeders
lippenstift mocht uitproberen. Minutenlang trek ik gekke bekken naar mezelf, tuur
ik vanuit verschillende hoeken naar het in mijn ogen fascinerende resultaat, en
ren ik enthousiast van en naar mijn spiegelbeeld.

Toen ik de ‘spiegelscene’
in De Kinderen van Juf Kiet zag (min. 01:33:12 – 01:38:00) dacht
ik ongemakkelijk terug aan deze gemoedelijke homevideo uit mijn jeugd. De
documentaire registreert middels een verstilde fly on the wall stijl het schooljaar van een ‘nieuwkomersklas’ in
het Brabantse Hapert. Waar een ogenschijnlijk simpele opdracht (loop met de
roos in je hand naar je eigen spiegelbeeld en bekijk jezelf dan eens goed) de
aimabele kleine Leanne een glimlach van (flap)oor tot (flap)oor bezorgt, blijkt
het voor Jorj een onmogelijke opgave. Wat ziet hij in zijn spiegelbeeld, in de
aanblik van zijn grote droefogen? Je kunt het kind wel uit de oorlog halen,
maar de oorlog niet uit het kind. Zijn bleke kleine broertje Maksem ziet het
ook: die spiegel is een verschrikking.

Met de
zomervakantie voor de deur werd de Kinderen
van Juf Kiet
uitgezonden bij de NPO. Daarmee wordt ook de kijker een
spiegel voorgehouden. Voor de klas van juf Kiet zit het eerste schooljaar in
Nederland erop. Maar nadat wij deze zomer en masse aan de Middellandse zee
hebben liggen bakken, zal blijken dat op diezelfde golven weer een nieuwe klas
vol kinderen meegevoerd werd.

Videofragment: De
Kinderen van Juf Kiet
(2016), Petra Lataster-Czisch en Peter Lataster, Lataster
Films. Online op: https://www.npo.nl/2doc/19-06-2017/KN_1691677?start_at=5592

The Garden

door Natascha Veldhorst

Een
van de meest intrigerende video’s die ik het afgelopen jaar heb gezien
is de korte film The Garden
(Zahrada, 1968,
ca. 16 min.) van de Tjechische regisseur Jan Švankmajer. Ik vertel er met opzet
niets over. Je moet er gewoon naar kijken en er het liefst van tevoren niets
over horen of lezen.

Bekijk de film hier: https://www.fandor.com/films/the_garden

The War in Reverse

door Thomas Smits

Een plank in de boekenkast van mijn vader stond vol met
verfomfaaide science fiction pockets uit de jaren vijftig. Op
mijn veertiende pakte ik een van deze boekjes van de plank omdat de cover er
spannend uit zag. Sinds die dag ben ik verslingerd aan het werk van de
Amerikaanse auteur Kurt Vonnegut. Hoewel science
fiction
over het algemeen niet als literair genre wordt gezien, toont het
werk van Vonnegut aan dat dit geheel onterecht is. In zijn bekendste werk Slaughterhouse-Five (1969) komt dit
duidelijk naar voren. Het gaat over het bombardement van Dresden dat Vonnegut
als gevangengenomen Amerikaanse soldaat meemaakte, maar tegelijkertijd spelen
buitenaardse wezens een grote rol. Deze uitzonderlijke combinatie stelt
Vonnegut in staat om allerlei ingewikkelde thema’s op een niet-pretentieuze en
komische manier te behandelen. Was literatuur wel in staat was om de
verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog adequaat te beschrijven? Omdat de
oorlog, in alle opzichten, zo bizar was, zou een traditioneel, beschrijvend en
chronologisch boek hier nooit recht aan kunnen doen. Met behulp van science fiction legt Vonnegut daarom
allerlei traditionele literaire conventies, zoals een lineaire
verhaalontwikkeling en causaliteit, naast zich neer. In een van de beroemdste
fragmenten van het boek, dat bekend staat als de ‘War in reverse’, stelt de
hoofdpersoon Billy Pilgrim, vlak voordat hij ontvoerd wordt door aliens, zich
een oorlog voor in omgekeerde volgorde en met omgekeerde bedoelingen.

Syrian video archives

by Judith
Naeff

The Summer
is a time to relax and enjoy the pleasures of freetime, but taking a step back
from daily routines may also inspire more serious modes of reflection and
contemplation. It is in that context that I would like to draw your attention
to two remarkable video initiatives from Syria. The first is the anonymous
collective Abou Naddara. The collective trains and equips aspiring
filmmakers throughout Syria who regularly upload short video clips from a country
of which we hear the most shocking stories but rarely see how actual people
live their lives. Videos in the form of oral eye witness accounts play an
increasingly important role in Abou Naddara’s archive. Equally impressive, and
visually more interesting is the footage of everyday life in war torn Syria.
This beautiful clip shows the work of cooks. The close range footage of
routinized hands and the damp coming from the rice with lentils stimulates the
senses. It is as if we can touch and smell the food. The song that seems to be
now intradiegetic now extradiegetic is pure voice, deliverd by one of the
workers. The whole scene presents an embodied experience of an everyday
struggle to retain a sense of human dignity under the exposure to extreme
violence.

A more
direct engagement with violence can be found in the clip “The Way to School.”
Yet, here too, the relatively high quality of the footage, the journey against
the current of hurrying school children and parents, the lack of spoken or
embodied engagement by the camera operator with the unfolding scene suggest a
much more distanced and to some extent aestheticized visualization of the
conflict than the ubiquitous camera phone eye witness accounts that circulated
especially at the start of the conflict in 2011-12. Somehow, while the use of
relatively high quality cameras and post-recording editing has a distancing
effect, it also adds a subjectivity to the representation that is much more
intimate than the urgent footage shot by citizen journalists.

The second
initiative I would like to highlight is the Syrian Mobile Film Festival,
which shows that (semi-)professional equipment is not necessary to produce
highly personal and aesthetic narratives of daily life in contemporary Syria.
It is worth browsing through the archives of previous editions. This touching
video was shot during the world cup in Brazil in 2014: http://syriamobilefilms.com/en/project/our-world-cup/.