Als kleuter keek ik graag in de spiegel. Er is een
videofragment waarin ik, een jaar of vier oud, langdurig voor de grote spiegel
van mijn ouders garderobekast sta nadat ik voor het eerst mijn moeders
lippenstift mocht uitproberen. Minutenlang trek ik gekke bekken naar mezelf, tuur
ik vanuit verschillende hoeken naar het in mijn ogen fascinerende resultaat, en
ren ik enthousiast van en naar mijn spiegelbeeld.
Toen ik de ‘spiegelscene’
in De Kinderen van Juf Kiet zag (min. 01:33:12 – 01:38:00) dacht
ik ongemakkelijk terug aan deze gemoedelijke homevideo uit mijn jeugd. De
documentaire registreert middels een verstilde fly on the wall stijl het schooljaar van een ‘nieuwkomersklas’ in
het Brabantse Hapert. Waar een ogenschijnlijk simpele opdracht (loop met de
roos in je hand naar je eigen spiegelbeeld en bekijk jezelf dan eens goed) de
aimabele kleine Leanne een glimlach van (flap)oor tot (flap)oor bezorgt, blijkt
het voor Jorj een onmogelijke opgave. Wat ziet hij in zijn spiegelbeeld, in de
aanblik van zijn grote droefogen? Je kunt het kind wel uit de oorlog halen,
maar de oorlog niet uit het kind. Zijn bleke kleine broertje Maksem ziet het
ook: die spiegel is een verschrikking.
Met de
zomervakantie voor de deur werd de Kinderen
van Juf Kiet uitgezonden bij de NPO. Daarmee wordt ook de kijker een
spiegel voorgehouden. Voor de klas van juf Kiet zit het eerste schooljaar in
Nederland erop. Maar nadat wij deze zomer en masse aan de Middellandse zee
hebben liggen bakken, zal blijken dat op diezelfde golven weer een nieuwe klas
vol kinderen meegevoerd werd.
Een
van de meest intrigerende video’s die ik het afgelopen jaar heb gezien
is de korte film The Garden
(Zahrada, 1968,
ca. 16 min.) van de Tjechische regisseur Jan Švankmajer. Ik vertel er met opzet
niets over. Je moet er gewoon naar kijken en er het liefst van tevoren niets
over horen of lezen.
Een plank in de boekenkast van mijn vader stond vol met
verfomfaaide sciencefiction pockets uit de jaren vijftig. Op
mijn veertiende pakte ik een van deze boekjes van de plank omdat de cover er
spannend uit zag. Sinds die dag ben ik verslingerd aan het werk van de
Amerikaanse auteur Kurt Vonnegut. Hoewel science
fiction over het algemeen niet als literair genre wordt gezien, toont het
werk van Vonnegut aan dat dit geheel onterecht is. In zijn bekendste werk Slaughterhouse-Five (1969) komt dit
duidelijk naar voren. Het gaat over het bombardement van Dresden dat Vonnegut
als gevangengenomen Amerikaanse soldaat meemaakte, maar tegelijkertijd spelen
buitenaardse wezens een grote rol. Deze uitzonderlijke combinatie stelt
Vonnegut in staat om allerlei ingewikkelde thema’s op een niet-pretentieuze en
komische manier te behandelen. Was literatuur wel in staat was om de
verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog adequaat te beschrijven? Omdat de
oorlog, in alle opzichten, zo bizar was, zou een traditioneel, beschrijvend en
chronologisch boek hier nooit recht aan kunnen doen. Met behulp van science fiction legt Vonnegut daarom
allerlei traditionele literaire conventies, zoals een lineaire
verhaalontwikkeling en causaliteit, naast zich neer. In een van de beroemdste
fragmenten van het boek, dat bekend staat als de ‘War in reverse’, stelt de
hoofdpersoon Billy Pilgrim, vlak voordat hij ontvoerd wordt door aliens, zich
een oorlog voor in omgekeerde volgorde en met omgekeerde bedoelingen.
The Summer
is a time to relax and enjoy the pleasures of freetime, but taking a step back
from daily routines may also inspire more serious modes of reflection and
contemplation. It is in that context that I would like to draw your attention
to two remarkable video initiatives from Syria. The first is the anonymous
collective Abou Naddara. The collective trains and equips aspiring
filmmakers throughout Syria who regularly upload short video clips from a country
of which we hear the most shocking stories but rarely see how actual people
live their lives. Videos in the form of oral eye witness accounts play an
increasingly important role in Abou Naddara’s archive. Equally impressive, and
visually more interesting is the footage of everyday life in war torn Syria.
This beautiful clip shows the work of cooks. The close range footage of
routinized hands and the damp coming from the rice with lentils stimulates the
senses. It is as if we can touch and smell the food. The song that seems to be
now intradiegetic now extradiegetic is pure voice, deliverd by one of the
workers. The whole scene presents an embodied experience of an everyday
struggle to retain a sense of human dignity under the exposure to extreme
violence.
A more
direct engagement with violence can be found in the clip “The Way to School.”
Yet, here too, the relatively high quality of the footage, the journey against
the current of hurrying school children and parents, the lack of spoken or
embodied engagement by the camera operator with the unfolding scene suggest a
much more distanced and to some extent aestheticized visualization of the
conflict than the ubiquitous camera phone eye witness accounts that circulated
especially at the start of the conflict in 2011-12. Somehow, while the use of
relatively high quality cameras and post-recording editing has a distancing
effect, it also adds a subjectivity to the representation that is much more
intimate than the urgent footage shot by citizen journalists.
The second
initiative I would like to highlight is the Syrian Mobile Film Festival,
which shows that (semi-)professional equipment is not necessary to produce
highly personal and aesthetic narratives of daily life in contemporary Syria.
It is worth browsing through the archives of previous editions. This touching
video was shot during the world cup in Brazil in 2014: http://syriamobilefilms.com/en/project/our-world-cup/.
This documentary, directed by Jim McGorman,
provides a unique insight into the way a contemporary jazzfunk ensemble
prepares for a concert. Apart from discussing their compositional methods, they
talk about playing and improvisation in general, too. These are not only
excellent musicians, but are also able to very eloquently articulate their
views on music and performance.
Even to its own standards, Hollywood is copying itself more than ever, some have claimed. Copycat behaviour has, however, always been a trademark of American blockbuster movies. One fine example of this is the cult movie Krull, released in 1982. In a multimillion-dollar attempt to ride the waves of success created by the Star Wars trilogy – making it the most expensive film of the early 1980s –
director Peter Yates created yet another blend of science fiction and fantasy. Rather that telling a fairy tale fantasy story with space ships, as George Lucas had done, Yates introduced cyborgs and laser guns to a medieval style fantasy world. Enter Krull.
Krull is the ultimate example of a plan gone wrong (it has been noted before). Plot line, characters, costume and set design, in every detail of the film, ambition has blown up in the face of its maker. Having said that, Krull is certain to entertain you for the full two hours and one minute, even when you’re just wondering when our hero Colwyn will finally know when he finally needs his weapon (’Do not use it until you need it!’). And if you’re watching the movie with your friends, there’s a nice additional game: who spots Liam Neeson (Schindler’s List) or Robbie Coltrane (Harry Potter) first?
This summer, the Arts and Culture Studies staff presents a selection of fragments from films, documentaries, and tv shows we study, or watch for pleasure. We hope you will enjoy watching, and have a good summer!
Deze zomer presenteert de staf van Algemene cultuurwetenschappen een serie fragmenten uit films, documentaires en televisieprogramma’s die we bestuderen of in onze vrije tijd kijken. We hopen dat je veel kijkplezier beleeft en wensen je een mooie zomer!
Mijn huidige studies naar consumentengedrag in de
kunstwereld voeren terug op onderzoek dat ik bijna 20 jaar geleden deed naar luisterdiscipline in de concertzaal. Het verhaal dat uiteindelijk op schrift
stond was eenvoudig: in de loop van 400 jaar werd het publiek bij klassieke
concerten stiller omdat het zijn luistergedrag geleidelijk aanpaste aan hoge
artistieke standaarden. Door die opkomende stilte viel één geluid uiteindelijk
des te sterker op: hoesten. Dat hardnekkige voortbestaan trok de aandacht van journalisten. Wat vond ik daar dan zelf van? Mijn antwoord was altijd
ontwijkend: ik had als aankomende sociale wetenschapper geleerd dat het beter
was gedrag te verklaren dan te veroordelen.
Maar na zoveel jaren is het misschien tijd voor een
standpunt. Ik zie wel iets in de manier waarop Bugs Bunny het probleem oplost.
Kung
Fury is an over-the-top action comedy written and directed by David Sandberg.
The movie features: arcade-robots, dinosaurs, nazis, vikings, norse gods,
mutants and a super kung fu-cop called Kung Fury, all wrapped up in an 80s
style action packed adventure. Kung Fury takes place in a variety of exotic
locations; 1980s Miami, Asgard and Germany in the 1940s, to name a few. […]
Kung Fury was funded mainly through a Kickstarter campaign, where people from
all around the world showed their support for this crazy project. David worked
on the film for a more than a year with almost no budget but a strong vision,
with the help of friends and family.
Twee jaar geleden, in de
lente van 2015, kreeg ik de kans om J. Hillis Miller te interviewen. Deze
éminence grise uit de literatuurwetenschap is in onze contreien niet even
bekend als zijn goede vriend en collega Jacques Derrida. Niettemin is hij,
vooral in de VS, een van de belangrijkste gezichten van de deconstructie, een
filosofische en literatuurwetenschappelijke stroming die hoge ogen gooide in de
jaren ’80. Sinds die hoogdagen heeft Miller tal van invloedrijke boeken
geschreven over beeldinterpretatie en filosofie, waarin hij zijn
literatuurwetenschappelijke inzichten ten dienste stelt van maatschappelijk
relevante thema’s. Hem interviewen was dus een voorrecht, maar ook een
uitdaging. Waar begin je, als je gesprekspartner een geprivilegieerde getuige
is geweest van de literatuurwetenschap in de tweede helft van de twintigste
eeuw? Gelukkig was er een praktische aanleiding voor dit interview. In 2015
stond de Victoriaanse romanschrijver Anthony Trollope in de kijker vanwege zijn
tweehonderdste verjaardag. Aangezien deze schrijver ook een bijzondere plaats
bekleedt in Millers denken, lag het voor de hand om het werk van Trollope als
uitgangspunt te nemen. Het resultaat was een boeiende ontmoeting, gespreid over
drie dagen.
De opnames, in de goede
handen van regisseur Dany Deprez, zouden uiteindelijk uitmonden in een
intellectueel portret,The Pleasure of
That Obstinacy. Vertrekkend vanuit een analyse van romans van Anthony
Trollope, stelt Miller zich de vraag wat de liefde voor literatuur nog kan
bieden in een ecologisch fragiele wereld die volledig is veranderd door media
en technologie. Deze boodschap klinkt bekend, maar door recente ontwikkelingen
in de wereldpolitiek is ze het afgelopen jaar alleen maar actueler geworden: men
denke aan Donald Trump (laten we hem niet vereenzelvigen met de VS) die zich
terugtrekt uit het klimaatakkoord van Parijs en de dubieuze manier waarop de
Brexit tot stand is gekomen, om enkele voor de hand liggende voorbeelden te
geven.
Deze samenvatting kan het
doen lijken alsof de film transparant is, maar dat is niet het geval – of toch
niet op het eerste gezicht. De film is opgebouwd volgens de principes achter de
deconstructieve leesmethode waarvoor Miller bekend staat. Door verschillende
onderwerpen naast elkaar te plaatsen, zonder ze aan elkaar te praten (zoals
gebruikelijk, met voice-over), wordt er een ruimte gecreëerd waarin verschillende
verhalen tot stand kunnen komen. De verschillende draden in het gesprek volgen
elkaar niet netjes op, maar zijn door elkaar geweven – een beetje zoals in de
vorm van de Victoriaanse roman, die zich kenmerkt door een opeenstapeling van
subplots. Terwijl de film vordert, wordt het duidelijk dat de chronologie van het
gesprek niet lineair is. De film opent zeer traag, of koud, en de verschillende
sporen worden pas duidelijk na de eerste helft. Dit soort verhaal vereist een
grote inspanning en inleving van de kijker, naast een zekere kritische houding.
Deze narratieve opbouw is
weerspiegeld in verschillende visuele elementen. Het was een bewuste keuze om
mijn positie, als interviewer, te verbergen. De camera kijkt over mijn
schouder, maar ik kom zelf niet in beeld. Ook mijn vragen zijn weggeknipt.
Kijkers zien dat J. Hillis Miller met iemand praat, maar niet met wie. Dit,
samen met de lengte van de shots en een sereen kleurschema, creëert een zekere
rust, dewelke in contrast staat met de gravitas waarmee Miller spreekt. Het
beeldmateriaal dat wordt gebruikt om verschillende momenten te overbruggen en
te illustreren, heeft een gelijkaardig doel voor ogen: de beelden verwijzen
terug naar eerdere momenten, of anticiperen latere. De frequentie van visueel
materiaal wordt opgedreven naar het einde toe, waardoor er een crescendo
ontstaat. Uiteindelijk heft de film de illusies van zijn eigen medium op. Wat dit
interview dus aanreikt op het niveau van de inhoud brengt het in de praktijk op
het niveau van de vorm.
Of dit experimentele portret
van een oude literatuurwetenschapper vele mensen ertoe zal aanzetten om de
romans van Trollope te lezen is nog maar de vraag. Maar als de film mensen
ertoe kan aansporen om met een kritisch oog te kijken naar de manier waarop
bepaalde boodschappen worden verpakt, dan zal hij zijn doel gediend hebben.