(Te) commercieel? Het Van Gogh Museum gaat in consultancy

Door Helleke van den Braber

image

Twee weken geleden liet het Van Gogh Museum weten een nieuwe inkomstenbron te hebben gevonden. Verrassend, want het museum staat nu niet direct bekend om zijn armlastigheid. Het cultureel ondernemerschap van het museum is voorbeeldig: liefst 80,3% van het jaarlijkse budget wordt zelf verdiend (42,9 uit entree-inkomsten en 37,4 uit commerciële activiteiten, merchandise en sponsoring); de overheid springt voor slechts 19,7 procent bij. Met de ‘eigen inkomsten-norm’ van 21,5 procent die sinds 2013 voor musea geldt (alleen instellingen die 21,5% van hun inkomsten zelf verdienen kunnen subsidie aanvragen) veegt het Van Gogh Museum dus glimlachend de vloer aan.

Toch heeft het museum nu besloten nóg ondernemender te worden, en zijn kennis en medewerkers volop commercieel te gaan exploiteren. De museumexperts zijn voortaan tegen uurtarief te huur voor iedereen die behoefte heeft aan expertise op het terrein van educatie, behoud of restauratie van kunst. Het museum gaat dus in consultancy. Beoogde klanten zijn andere musea, bedrijven en particuliere kunstverzamelaars. Dit is om twee redenen een interessante stap. Ten eerste omdat hier niet meer alleen de (toegang tot) kunst vermarkt wordt, maar ook de (toegang tot) kennis rond, over en van kunstwerken. En ten tweede omdat het museum hiermee de bestaande informele geefrelaties in de culturele wereld verregaand verzakelijkt.

In De Volkskrant van 11 oktober 2014 zegt Benno Tempel, directeur van het Haags Gemeentemuseum, dat hij het maar vreemd vindt dat het Van Gogh geld wil zien voor inzet van zijn expertise. Onderlinge dienstverlening gebeurt tussen musea van oudsher met gesloten beurzen. Wie geeft kan er op rekenen terug te krijgen. Tempel: “Het past niet bij de museumcultuur. Daar draait het om de gunfactor: ik help jou, jij helpt mij. Helpen wij een verzamelaar, dan kunnen wij hem weer benaderen voor bruikleen van een werk. Soms krijgen we een stuk geschonken, als dank.” Ook het ministerie van OCW kan de commerciële aspiraties van het museum maar weinig waarderen. “De zakelijke activiteiten moeten de museale taken niet in de weg zitten. Daarvoor krijgt het museum subsidie”, waarschuwt een woordvoerder. Kennelijk kunnen instellingen hun ondernemerschap ook overdrijven.

Tempels verbazing en de ongerustheid van OCW krijgen reliëf als we kijken naar onderzoek van cultuursocioloog Hans Abbing, die in 2004 stelde dat de meeste uitwisselingen in de kunstwereld in het teken staan van de ‘giftsfeer’, een sfeer die op gespannen voet staat met de ‘marktsfeer’. Marktdenken in de culturele sector mag wel, maar alleen als het zich verbergt en verhult als gift. Uitwisselen en weggeven van kennis doe je om op jouw beurt van de giften van anderen te profiteren, en niet om eraan te verdienen. Onbeschaamde zakelijkheid is een taboe, en kunstinstellingen die zich openlijk in de marktsfeer positioneren kunnen rekenen op onbegrip. Of erger: reputatieschade.

Dat laatste is voor het museum wel een punt van zorg. De reputatie van het Van Gogh is – naast de collectie – hun meest waardevolle bezit. Benno Tempel vreest het ergste: “we moeten het [als musea] hebben van onze reputatie. Die is wereldtop. Als ik voor advies en andere diensten geld ga vragen, zou ik dat kapot maken”. Artistieke waarde en reputatie mag van hem kennelijk niet al te nauw geassocieerd worden met economische waarde. Kunst (en de exploitatie en presentatie van kunst) kan niet te veel over geld gaan, want anders geldt het misschien niet meer als kunst – alleen nog als handel.

Het Van Gogh Museum denkt daar anders over, en durft de grenzen op te zoeken. De stap naar consultancy is (ook) een verkenning van wat wel en niet kan en mag in de huidige cultuursector – ook al stoot je daarbij collega-musea en beleidsmakers stevig voor het hoofd. Is dit het begin van een nieuw type ondernemerschap, dat niet alleen in de museumwereld, maar ook in die van het theater of de muziek nieuwe kansen gaat bieden?

Afbeelding: via Rinuseversen1 onder Creative Commons

Poor Investors

images of the financial crisis – 1866 and 2008

By Thomas Smits

image

On May 19th 1866 curious images appear on the covers of the Illustrated London News and the French L’Illustration, the most famous illustrated newspapers of the nineteenth century. On the cover of the Illustrated News we see a crowd of top-hat-wearing men looking anxiously in large format newspapers, presumably the Times. The capitation reads: ‘The panic in the city. Scene in Lombard street on Friday’.  The caption of the front page of L’Illustration is set to a different tune: ‘Siege of the office of the bank Overend, Gurney and Cie, Lombard street, in London’. Here we see a real panic: a crowd storming a bank, police trying to control the situation and a fainting man on the foreground. The cause of the ‘panic in Lombard Street’ is maybe already clear. Investors rushed to Lombard Street to get their money from the defaulting banking house of Overend, Gurney and Company.

image

image

It is not hard to compare the crisis of 1866 to the one that we are experiencing today. Overend and Gurney is often described as ‘the bankers bank’. The company dealt in bills of exchange: documents that guaranteed the payment of a specific amount at a specific date. Therefore, the bank can be compared to the financial institutions that caused the collapse of 2008. They were not involved in traditional products, like loans, but in the trade of financial derivatives. Overend and Gurney rose to prominence during the ‘Panic of 1825’, the first economic crisis that is not attributable to an external event, like a war, but mainly to speculative investment in Latin America including the imaginary country of Poyais (read more about it here and here). In 1825 the bank was able to extend loans to other banks that were bound to collapse and hereby started the so-called ‘interbank lending market’, an important component of our current financial system. 

Were did it all go wrong? In the late 1850s the bank invested heavily in railway companies and other long-term loans. Ten years later the owners found that their short-term cash reserve amounted to only one million pounds while their liabilities were estimated at roughly four million (note that financial institutions in our time have far lower cash reserves). The directors of the bank reacted to this problem by turning their business into a limited company. In other words: they gave out stocks.

The newly acquired capital was invested in a rather irresponsible manner, as the early Marxist Henry Hyndman describes it, the directors of the bank “(…) were encouraging and embarking in enterprises of a character which were so unsound in themselves, and so dangerous from the class of people connected with them, that the veriest tyro [an absolute beginner] in finance would have instinctively shrunk from them (…)." Although the directors of Overend and Gurney were put on trial for fraud connected to these high-risk investments, the judge only found them guilty of ‘great error’ rather than criminal behaviour. This, of course, reminds us of the risks that employees in the financial sector are encouraged to take in our time (read the blog of Joris Luyendijk) and the lack of (legal) responsibility ascribed to them after the collapse of 2008.

Because of major losses on the risky investments, the bank had to suspend payment on the 10th of May 1866. Shareholders rushed to the office of Overend and Gurney in Lombard Street to get their money and this lead to the chaotic scenes on the covers of the illustrated newspapers.  Lets return to these images. How can we compare the visual coverage of the crisis of 1866 in the two illustrated newspapers to our ‘own crisis’? What and who do we see if we think about the current situation? Which images come to mind? What groups are seen as the victims of financial collapse? Type in ‘Great depression 1930’ on Google Images and you will find Dorothea Lange’s iconic Migrant Mother or a man holding up a sign ‘Work is what I want, not charity’. Personally, when I think of our crisis I see a young man, wearing an expensive suit, sitting behind his desk. He is staring at four, or maybe five, computer screens which all show the same descending red line. In other words: I see a poor investor, just like the ones on the covers of the illustrated newspapers in 1866. How is it that I don’t see an image of a family leaving their foreclosed home? A modern equivalent of Lange’s Migrant Mother? Why is it so hard for us – or at least for me – to imagine these victims of the crisis? 

image

Image credits:

1: "RVS Handelsraum” by Raiffeisenverband Salzburg

2: Detail of: ‘The panic in the city: scene in Lombard street on Friday’, Illustrated London News (19 May 1866).

3: ‘Assaut a la maison de banque Overend, Gurney et Cie, dans Lombard Street, à Londres’, L’Illustration (19 May 1866).

4: D. Lange, ‘Destitute pea pickers in California. Mother of seven children. Age thirty-two. Nipomo, California [Migrant Mother] (1936). Via Library of Congress.

See the original pages of the illustrated newspapers here and here

Images shared under creative commons.

Het (reis)doel heiligt de middelen

Door Tom Sintobin

image

In NRC Weekend van zaterdag 4 & zondag 5 oktober 2014 weet Ivo Weyel het zeker: ‘Ten dollars a day keeps progress away.’ Hij haalt het zinnetje naar eigen zeggen uit ‘een verklaring van de United Nations’ over het zogenaamde Pro-poor Tourism. Weyel citeert Lelei LeLaulu om die gedachte te definiëren. Op een bijeenkomst over klimaatverandering en toerisme uit 2007 stelde die namelijk: ‘Tourism is the most potent anti-poverty tool ever, it is the largest voluntary transfer of resources from the rich to the poor in history’. Pro-poor tourism bewegingen gaan er inderdaad van uit dat toerisme op allerhande manieren kan bijdragen tot het wegwerken van het sociale en economische onevenwicht in de wereld. Er worden immers banen gecreëerd in ontwikkelingslanden, er komt meer onderwijs om die banen ingevuld te krijgen, geïsoleerde en kansarme bestemmingen krijgen zelf ook toegang tot de wereld dankzij het feit dat er infrastructuur komt om ze te ontsluiten, en er komt geld binnen: van (buitenlandse of nationale) investeerders en van bezoekers. Ten minste: als dat toerisme verantwoord georganiseerd wordt. Dat is lang niet altijd het geval, zo blijkt uit onderzoek. Om het geval van Malindi in Kenia maar even te nemen: het toeristische bedrijf daar, zo schrijven Hazel Tucker en John Akama in The Sage Handbook of Tourism Studies (2009), werd vooral door Italianen en met Italiaans geld uitgebouwd –hotels, binnenlandse vluchten, huurwagenbedrijven,… zijn allemaal ‘Italian owned’ –, en onderzoekers hebben geschat dat zo’n 80 procent van de inkomsten terugvloeien naar Italië. Weyel heeft dus een punt als hij dergelijke wantoestanden op de korrel neemt.

Hij opent zijn artikel met een snerende beschrijving van twee rugzaktoeristen die hij op een vliegtuig richting de Filippijnen sprak. Terwijl zij ‘als lastdieren in de meute’, midden in de nacht en bij een temperatuur van dertig graden, ‘Sans airco.’, met het openbare vervoer naar de stad probeerden te geraken om hun vooropgestelde budget van tien euro per dag niet te overschrijden, zoefde hijzelf in geen tijd ‘airconditioned en met een koel flesje water’ naar zijn hotel. Hij slaat zich op de borst: ‘Aangekomen bij het hotel had ik het honderdvoudige uitgegeven aan kruier en taxichauffeur. Inclusief fooi voor de kofferdragers van het hotel, had ik daarmee al heel wat plaatselijke gezinnen in hun levensonderhoud helpen voorzien.’ Zijn stijl van reizen, die hij ‘high spending’ noemt en het beste gedijt in een ‘high-end and exclusive resort’, acht hij dus waardevoller dan andere vormen van toerisme, de backpacker en ‘de toerist die voor een habbekrats in een all-inclusive resort verblijft’ op kop. ‘Het moet’ aldus Weyel, ‘afgelopen zijn met het voor-een-dubbeltje-op-de-eerste-rij-toerisme, want goedkoop massatoerisme – ook het goedkope toerisme dat onder de noemer ecotoerisme valt – is funest voor natuur en plaatselijke bevolking. […] In arme landen en/of beschermde natuurgebieden is niets of niemand gebaat, noch blij, met alleen uw blauwe ogen en vriendelijke o-wat-ben-ik-gezellig-één-met-de-bevolkingblik.’ En hij besluit: ‘Hoe armer het land, hoe meer u (terecht!) wordt gezien en verwelkomd als een oergezonde Hollandse cash cow. Gedraag u dan ook zo.’

In deze tekst gebeuren curieuze dingen. Backpackers en mensen die een all-inclusive trip boeken worden bijvoorbeeld probleemloos op één lijn gezet: het zijn allemaal gierigaards. Als er nu één plek is waar een beetje stielvaste rugzaktoerist nooit een voet zou binnenzetten, dan is het wel in zo’n all-inclusive resort; hij zou er trouwens meteen uitgebonjourd worden door beveiligingspersoneel dat uit zijn doppen kijkt. Weyel blijkt evenmin kennis te hebben van de diverse modellen die binnen toerismestudies zijn opgesteld om te beschrijven hoe een toeristische bestemming zich precies ontwikkelt, zoals bijvoorbeeld dat van de geograaf R.W. Butler. Doorgaans wordt daarin beschreven hoe bestemmingen eerst ontdekt worden door pioniers: reizigers, vaak jongeren, die door hun leeftijd, financiële en sociale toestand etc. geneigd zijn om iets nieuws te proberen. Naarmate hun aantallen toenemen, neemt de bekendheid en de populariteit van de bestemming toe, zodat de betrokkenheid van de locale bevolking en investeerders (lokale en andere), alsmede de infrastructuur, groeit. Na verloop van tijd weet ook de massa de inmiddels netjes geplaveide weg te vinden. Als deze voorstelling van zaken klopt, dan zijn Weyels backpackers, die gebruik maken van het openbare vervoer om ook niet- of minder-toeristische bestemmingen te kunnen bereiken, in vele gevallen geen vrekken, maar de voorhoede van het grote kapitaal. En nog afgezien daarvan: waarom zou een land als Australië zichzelf met zoveel zorg als een backpackersdestination in de markt zetten als daarmee geen AUD te verdienen zou zijn? Met deze reflecties over het slijk der aarde hebben we nog een aspect van Weyels tekst aangeraakt: het contact tussen de gastheer en de bezoeker waardeert hij hoofdzakelijk in economische termen: toerisme moet allereerst een geldstroom op gang brengen. Op dat vlak valt Weyel zelf, of toch zijn vertellende alterego, beslist niets te verwijten, want hij koopt ‘souvenirs bij de vleet’ en geeft ‘fooi dat het een lieve lust is’. Wie wel eens gereisd heeft in een land dat in het verleden door vooral Amerikaanse toeristen is platgegooid met fooien, weet hoe desastreus deze comodificatie van vriendelijkheid kan zijn voor de sociale omgangsvormen. Maar daar hoeft Weyel niet aan te denken, zolang er maar gespendeerd wordt. Het doel heiligt de middelen.

Het ecologische aspect van ‘sustainable tourism’ komt er in de tekst eveneens bekaaid van af. Het komt vrijwel uitsluitend voor in tussenzinnetjes, niet in de vorm van een uitgewerkt argument, en wordt dus overduidelijk als een verplicht nummertje opgevoerd. Het komt door Weyels fascinatie voor airco ook allesbehalve oprecht over. Weyel beroept zich op ‘een schema’ uit een ‘rapport’ om te bewijzen dat high-end tourism het meeste bijdraagt tot de bestrijding van armoede en het behoud van het milieu, en goedkopere vormen van toerisme het minste. Helaas heb ik dat ‘rapport’ niet online kunnen terugvinden, net zo min als de verklaring van de United Nations over Pro-poor tourism, trouwens. Wel vond ik een artikel van Daniel Peak, ‘Is tourism helping to alleviate poverty in the poor southern hemisphere countries’, met een soortgelijk schema. Daaruit blijkt dat niet de meest luxueuze resorts, want daar treedt gewoonlijk veel ‘leakage’ op (het terugvloeien van geld naar het Westen), maar juist het ‘Mass Market resort’ de meeste banen creëert en dus de grootste impact heeft op de locale economie: het door Weyel gelaakte massatoerisme, dus.

Ooit, in een grijs verleden aan een middelbare school, wilden mijn klasgenoten en ik een actie op het getouw zetten om 11 11 11 te steunen. De grootste groep organiseerde een ‘sober maal’ dat amper iets opbracht, een drietal Machiavellistische nozems verkocht hamburgers op de speelplaats en schepte een smerige hoop geld. Eén derde ging naar 11 11 11, met de rest ging het trio uitgebreid op skivakantie. Daar hadden ze geen airco nodig.

Image credits: Leslie via http://en.wikipedia.org/wiki/Slum_tourism#mediaviewer/File:Leslie_five_points_new_york_1885_3c22660v.jpg Shared under Creative Commons.

Music as Apps

By Vincent Meelberg

image

Hardly anyone could have missed the news regarding the new iPhone. In a well-orchestrated keynote presentation, held last month, Apple introduced the most recent iteration of its immensely successful product, again claiming that it is “the best iPhone ever.” Be it as it may, this wonderful device has caused the demise of another, former, hit product created by Apple: the iPod. Along with the introduction of the iPhone 6 the iPod Classic was quietly discontinued.

Of course, the iPod Touch, basically an iPhone without a phone, still exists, but this is a completely different device. An iPod Classic was a device devoted exclusively to music listening. Your entire music collection could be stored on its 160 Gb hard drive. The iPod Touch, on the other hand, does not have that storage capacity. Moreover, it is not meant as a music player, but as an interactive media device.

Perhaps at first sight this might not seem as a big deal, but the fact that Apple, one of the pioneers regarding the digital distribution of music, no longer offers a dedicated music player, may be indicative of a more general trend: a change in the way people appreciate music. In a rather nostalgic article, Wired’s Mat Honan links the disappearance of the iPod Classic to the fact that we are no longer defined by our music, music that we bought, owned, and collected. And I believe he is correct. Even though services such as Spotify and Rdio make most (but definitely not all) recorded music available to their users, creating a playlist in these services is not the same as collecting LPs, CDs, or even iTunes tracks. We no longer need to invest time and money in our music collection, and therefore the value we ascribe to music has changed.

Peter Kirn has a different take on these developments and discusses another recent phenomenon: releasing music as apps. Apps are particularly suited to devices such as the iPhone and iPod Touch, for they use both images and sound and invite interaction. Therefore, releasing music as apps turns music into something more than mere sounds, but at the same time transforms the way we define music. Take Björk’s Biophilia, for instance, one of the first examples of music as app. This app is almost a work of art, with excellent graphics that ask to be touched and manipulated. I have the app myself, but I still haven’t actually listened to the songs themselves. I’ve heard snippets of music while playing with the app, but I cannot really recall any of the songs. So, is music as app the future of music, or will it turn music into something else, a game perhaps?

Image credits: Fe Ilya via https://www.flickr.com/photos/renneville/3202443193/ Shared under creative commons

Master’s programme in Creative Industries

High fashion and nerdy technology? Tourism and literature? Perhaps not the likeliest combinations, but nowadays they turn out to be highly complementary. If you want to know how and why, Creative Industries might just be the right Master’s programme for you.

The creative sector has grown into a proper industry: companies and social institutions borrow ideas from artists and designers, the tourist industry happily uses literary concepts in their marketing, and classical music, art and museums play a large role in city branding. The fashion industry has already proven that creativity and commerce fit together effortlessly, but this development needs to be evaluated critically from a historical and theoretical perspective. The Creative Industries Master’s degree, which is unique to the Netherlands, provides you with the tools to do just that.

Theory and practice

During the programme you will study the (post)industrial society as a cultural phenomenon. The case studies you will work with include the fashion-industry, new media and the role of images, and the tourist industry. You will also analyse themes such as creativity and the so-called ‘21st Century Skills’ in policy-making and education, the relationships between subjects and material culture, and how cultural heritage can be effectively incorporated in today’s ‘participation society’.

If you want to make a career in the area where art meets commerce, where highbrow meets lowbrow, and where elite meets public, Creative Industries will definitely suit your interests. This degree will help you develop the reflective, inquisitive and critical attitude you need to succeed in this field, while closely looking at research methods and discussions currently surrounding these topics. After completing the programme, you will have the skills you need to contribute to the development of the young and dynamic creative sector.

Master’s programme in Creative Industries

Master Kunstbeleid en Mecenaat

In het masterprogramma kunstbeleid en mecenaat aan de Radboud Universiteit Nijmegen leer je nadenken over vragen als: zijn bezuinigingen op kunst en cultuur wel zo erg? De kunsten kunnen toch best zichzelf bedruipen? Of is het een taak van de overheid om te investeren in kunst en cultuur? En zo ja, waarom dan? In dit masterprogramma staat niet het kunstwerk zelf centraal, maar de maatschappelijke rol en context van kunst en cultuur. Dat bekijk je vanuit het perspectief van de overheid, van de mecenas of cultuursponsor en van de kunsthandel.

In dit masterprogramma stap je regelrecht de praktijk in. Zo krijg je een goed beeld van de culturele sector en het werkveld waar je als afgestudeerde in terechtkomt. Toch is dit niet alleen een programma voor doeners, maar ook voor denkers. Je denkt kritisch na over wat er in de praktijk gebeurt en om achterliggende motieven en argumenten in (beleids)discussies bloot te leggen. Dat doe je in colleges, maar ook tijdens je onderzoeksstage. Zo kun je bijdragen aan effectievere investeringen en projecten in de wereld van kunst en cultuur.

De Masterprogramma’s van Algemene Cultuurwetenschappen:

image

 

image