Saskia Kroonenberg
Een alweer-te-warme dag in 2026. Het academische jaar is weer begonnen. Ik scroll wat op mijn telefoon, lees het nieuws, open mijn mail, sluit mijn mail, bekijk een filmpje, stop het filmpje. Ik vergrendel mijn scherm. Nee. Vandaag wil ik niet achter mijn scherm doorbrengen. Vandaag wil ik boeken kopen. Veel boeken, het liefst tweedehands, oud, een beetje smoezelig. Hoe meer, hoe beter.
Mijn voornaamste reden is mijn brein. Ik wil mijn brein beschermen. Ook mijn ogen en rug, die inmiddels zo gewend zijn aan het staren naar een scherm en het vooroverbuigen naar mijn laptop toe, zouden wat meer aandacht kunnen gebruiken, wat meer afstand en beweging. Maar het is vooral mijn brein dat me zorgen baart, en niet alleen het mijne.
Met de opkomst van “AI” (een marketing term) is het verleidelijk om lekker makkelijk het voorgestelde antwoord te accepteren dat deze modellen me voorschotelen. Het is té makkelijk, té handig, té smooth. Maar waar kijk ik eigenlijk naar? Large Language Models (LLMs) berekenen de statistisch meest waarschijnlijke woorden op basis van de data waarop ze zijn getraind. Ik kijk naar output op basis van gemiddelden, gegenereerde woorden op basis van andere woorden, zonder directe relatie tot de wereld, feiten, waarheid, ethiek. Lege taal geformuleerd door modellen die mijn denkwereld inkruipen, mijn denken ondermijnen door me voor te zijn.
In dit filmpje wordt uitgelegd hoe het onderwijs in de VS lijkt te lijden aan de opkomst van LLMs en andere vormen van generatieve AI. Kinderen lijken moeite te hebben met leren lezen en schrijven, lijken minder sociale vaardigheden te ontwikkelen, lijken meer toe te vertrouwen aan bots en minder aan de mensen om hun heen. Of zoals een voormalige Googlemedewerker en de oprichter van character.ai lollig grapte in een interview: met hun nieuwe app willen ze niet Google vervangen, maar “je moeder.” Wie heeft er nog een therapeut, docent of ouder nodig, als deze technologie er ook voor je kan zijn? Een technologie die altijd beschikbaar is, geen eigen grillen heeft, geen menselijke imperfecties, en die altijd luistert, geruststelt, bevestigt. Nooit moe, nooit chagrijnig, nooit “nee”. Perfect, frictieloos. Ik snap de verleiding, zeker in tijden van chronisch tijdsgebrek, gebrek aan volle aandacht voor elkaar.
Ondertussen staan we onze data af aan deze bedrijven, die niet uit zijn op ons welzijn, maar op winst, ten koste van alles, inclusief (mensen)levens, democratie en planeet. Ze kopen oude boeken op, om die vervolgens te scannen en te vernietigen. Kennis en macht wordt geprivatiseerd, wordt de gemeenschap ontnomen. Het zijn bedrijven die ons denken vertroebelen. Ze beloven efficiëntie, maar zijn ook antidemocratische verwarringsmachines die ons doen vervreemden van elkaar en onze kennis.
Dus is het tijd om ons te buigen over boeken. Van geprinte boeken in een kast weet ik zeker dat ze er zijn, onveranderlijk. We moeten onze bibliotheken beschermen, onze papieren bondgenoten koesteren, zo goed als we kunnen.
Moeizaam ontworstel ik me daarom aan mijn scherm en pak een boek: een boek waarin ik misschien aantekeningen maak, of ezelsoren, waaruit ik selecteer wat belangrijk is, wat ik wil onthouden, en waarin ik lees in mijn eigen tempo, zonder dat wie dan ook meet hoe snel of langzaam dat is en op welke woorden mijn ogen blijven hangen. Ik wil dat mijn denken van mij is, privé, terwijl ik weet dat we altijd in relatie tot elkaar denken, het samen moeten doen.
Samen denken is in essentie mijn werk als academisch docent: met collega’s, met studenten, met geschreven woorden van anderen. Het is een collectieve activiteit in een publiek – geen privaat – domein. Ik wil deze imperfecte uitwisselingen aangaan, misverstanden uitpluizen, moeite doen, hoe moeizaam en langzaam dat ook mag gaan. Ik wil me ergeren aan de aantekeningen en vouwen van eerdere lezers, ik wil grammaticale inconsistentie en verrassingen tegenkomen, ik wil frictie, ik wil denken. Samen met de mensen om me heen.
En met door mensen geschreven en geredigeerde boeken, hoe gebrekkig ze soms ook zijn. Ze nemen ruimte in, raken zoek en vragen tijd. Maar ik vertrouw ze. Ik gun ze de beperkte aandacht van mijn vermoeide ogen, rug en brein.
