Weerbarstig of glad? Jongeren en klassieke muziek

door Natascha Veldhorst

Zo zal
ik me de tweede week van mei 2017 later herinneren: als een afwisseling van
verregende en zonovergoten momenten, op vrijdagavond 12 mei culminerend in een
reusachtige dubbele regenboog – ja, als een week van tegenstellingen op
allerlei fronten, waaronder ook de volgende twee nogal contrasterende muzikale
ervaringen.

Binnen
één week hoorde ik de twee uitersten binnen het spectrum van de klassieke
muziek. Op dinsdag 9 mei: de Russische pianist Grigory Sokolov (1950) in
Concertgebouw De Vereeniging in Nijmegen. Op zaterdag 13 mei: de Amerikaanse
componist en dirigent Eric Whitacre (1970) met het Groot Omroepkoor in het
Concertgebouw in Amsterdam.

De
eerste (Sokolov): een wereldberoemd meesterpianist, die wordt beschouwd als één
van de laatste vertegenwoordigers van de Russische virtuozenschool, een teruggetrokken
en zwijgzame persoonlijkheid die sinds de jaren negentig uitsluitend nog solorecitals
geeft en geen concerten meer met orkest. Voor hem draait alles om de muziek, om
de intense concentratie op de muzikale beleving (luister bijvoorbeeld naar de laatste toegift bij het
Nijmeegse concert
of naar een van zijn andere
Chopinvertolkingen
). Tijdens zijn optredens wordt de suggestie van een
persoonlijke performance op alle mogelijke manieren vermeden: de zaallichten
zijn uit, er is geen pauze of applaus tussen de stukken, hij maakt nauwelijks
contact met het publiek, en na afloop bij hem geen zichtbare blijdschap of
dankbare buigingen maar in plaats daarvan een nors weglopen bij het slotapplaus
(daarentegen wel een rijke overvloed aan toegiften, het inmiddels befaamde
‘derde gedeelte’ van Sokolovs concerten).

De
tweede (Whitacre): een wereldberoemd koordirigent, op internationale
concertpodia maar ook op internet, hij lanceerde aldaar het fenomeen van het
‘virtual choir’ (individuele bevlogen zangers van over de hele wereld zingen
partijen in, die vervolgens worden samengevoegd tot een coherent geheel, zie
bijvoorbeeld zijn Virtual Choir 3.0 in ‘Water Night’, met 4000 zangers uit 73 landen). Voor hem betekent muziek in de eerste plaats:
communicatie. Tijdens zijn optredens stelt hij dan ook alles in het werk om zijn
publiek te involveren en te behagen: zwierig de trap afdalen, jolig praten
tussen de nummers door, gebruik maken van visuele effecten zoals een simpele choreografie
voor de zestig zangers van het Groot Omroepkoor, en daarbij klankverrassingen
zoals tinkelende wijnglazen, gouden klokjes, plus het laten vingerknippen door koor
en publiek voor de collectieve creatie van het geluid van een regenbui.

Het is
duidelijk hoe groot de verschillen tussen beide musici zijn. Is dat een
probleem? Nee. Heeft één van de twee de voorkeur? Misschien. Het zal een combinatie
van smaak, muzikale achtergrond en wellicht leeftijd zijn, die bepaalt naar
welke muzikale stijl en persoonlijkheid je het liefst luistert. Sommigen zullen
spreken over ‘de echte kunstenaar’ (Sokolov) versus ‘de ijdele showmaster’
(Whitacre). Zij zullen wijzen op het fundamentele verschil tussen Rusland en
Amerika dat zich hier wellicht openbaart. Anderen zeggen: ouderwets staat hier
tegenover modern. Sokolovs houding betekent de definitieve ondergang, Whitacres
benadering de redding voor de klassieke muziek; de één wijst de nieuwe tijd af,
de ander omarmt die juist.

Wat de
toekomst van de klassieke muziek betreft is er trouwens zeker hoop, als we alleen
al afgaan op het succes van deze twee concerten. Uitverkochte zalen, staande
ovaties, luid gejoel en gefluit en een dubbel daverend applaus waar geen einde
aan kwam. In beide gevallen was het publiek razend enthousiast. Duidelijk
verschil: bij Sokolov waren het vooral oudere mensen, bij Whitacre sprongen ook
veel jonge mensen bij de slotnoten juichend een gat in de lucht. Je zou kunnen
denken dat dit komt door Whitacres muziek zelf, die modern en toegankelijk is,
smooth, makkelijk in het gehoor
liggend, feel good, hypnotiserend, met
een suggestie van diepgang.

Maar dat
is te simpel gedacht. Ik bedoel: de onuitgesproken veronderstelling dat
klassieke muziek te gecompliceerd zou zijn voor jongeren, een gedachte die trouwens
ook ten grondslag ligt aan veel nieuwe initiatieven in het klassieke
muziekcircuit om jonge mensen binnen te halen (en op basis waarvan dan dus de
conclusie getrokken wordt dat ze eerder voor Whitacre zouden kiezen dan voor Sokolov).
Natuurlijk: Whitacres idee van het ‘virtual choir’ zal jonge mensen van nu
zeker fascineren, iets wat in elk geval geldt voor de hordes enthousiaste koorzangers
onder hen die waarschijnlijk in Amsterdam ook het jeugdig aandeel van het
publiek hebben uitgemaakt. Maar hoe zit het met al die jonge mensen die nooit
naar klassieke concerten gaan of naar klassieke muziek luisteren en voor wie er
dus überhaupt geen verschil tussen Chopin, Whitacre, Sokolov of Beethoven
bestaat?

Over
hen kun je niet met goed fatsoen beweren dat ze niet naar klassieke muziek
luisteren omdat die te complex zou zijn. Of dat ze per definitie naar
oppervlakkigheid neigen omdat ze van de Twittergeneratie zijn en zich niet op
langere stukken kunnen concentreren. Denken dat het de muzikale complexiteit is
die jongeren afschrikt, lijkt inderdaad een misverstand te zijn, als we journalist
Alan Davey van The Guardian mogen
geloven. Hij signaleert een opmerkelijke ontwikkeling, namelijk een stijging
van het aantal jongeren dat klassieke muziek waardeert: “Younger audiences
enjoy the challenge of something difficult so long as it grabs them in some
way”. Na de hernieuwde belangstelling voor de eerder zo morsdood gewaande LP,
beleeft nu ook klassieke muziek volgens hem een heuse
opleving onder jongeren
: “It’s the embrace of the authentic, a fascination
with complexity, and the desire for a quality experience”.

Maar
waarom zitten al die jonge mensen dan niet in de zaal bij Sokolov?

Niet
de klassieke muziek zelf is ongetwijfeld het ‘probleem’, maar wel de intimiderende
sfeer van de wereld die daarbij hoort: de beruchte ‘etiquette’ (of sociale
controle) van de klassieke muziekconcerten die zwijgzaamheid, passiviteit en
stijfheid dicteert. Op dat punt scoort Whitacre met zijn losheid en pogingen tot
publieksparticipatie ‘beter’ dan Sokolov, maar ook voor hem geldt: het blijft nog
steeds de ambiance van het chique Amsterdamse Concertgebouw, een locatie waar
de meeste jonge mensen zich voorlopig niet zullen laten zien. Als ze al
luisteren, dan doen ze dat liever thuis.

Met
het bezoeken van klassieke muziekconcerten is het vermoedelijk zoals met het
lezen van literatuur. Oftewel, zoals Adriaan van Dis het eens omschreef: “Toen
ik begon waren mijn lezers rond de vijftig, en nu, dertig jaar later, is dat nog
steeds zo”. Deprimerende constatering? Ja, maar tegelijkertijd ook hoopvol. Vooral
witte en grijze hoofden zullen de klassieke concertzalen blijven bevolken, maar
zij zullen niet uitsterven!

Afbeeldingen:
– Eric Whitacre’s Virtual Choir 3, ‘Water Night’. Via http://blog.acton.org/.
– Grigory Sokolov, during the ‘Heidelberger Frühling’ concert in Kongresshaus Stadthalle Heidelberg, 22 April 2015, via upload.wikimedia.org.

Leave a Comment

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s